De rechtbank Rotterdam behandelde de zaken tegen verdachte die werd beschuldigd van bedreiging van zijn moeder en meerdere brandstichtingen binnen een psychiatrische kliniek. De moeder deed geen aangifte en verklaarde vooral bezorgd te zijn over de psychische toestand van haar zoon. De verdachte ontkende de bedreiging en stelde dat hij zijn moeder wilde waarschuwen.
Ten aanzien van de brandstichtingen in de kliniek was er onvoldoende bewijs dat de verdachte daadwerkelijk branden had gesticht die gemeen gevaar of levensgevaar veroorzaakten. Ook kon niet worden vastgesteld of en wanneer bepaalde vernielingen hadden plaatsgevonden. De verdachte werd daarom vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.
De officier van justitie had gevraagd om aanhouding van het onderzoek en plaatsing van verdachte voor observatie in het Pieter Baan Centrum, maar de rechtbank wees dit af vanwege de vrijspraak. Wel deelde de rechtbank de zorgen over het welzijn van verdachte en verwachtte dat de lopende zorgmachtiging hierop zou inspelen.
De voorlopige hechtenis werd opgeheven en verdachte werd vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. De rechtbank benadrukte het belang van passende zorg voor verdachte binnen de geestelijke gezondheidszorg.