ECLI:NL:RBROT:2022:6995

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2022
Publicatiedatum
22 augustus 2022
Zaaknummer
9653027
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 209 RvArt. 210 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing oproeping in vrijwaring wegens voortzetting huurovereenkomst door medegedaagde

In deze civiele procedure eist Stichting Achmea Dutch Residential Fund ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van huurachterstanden van twee medegedaagden die samen een woning huren. De medegedaagden voeren afzonderlijk verweer: de eerste wil in de woning blijven en kan de huur betalen, de tweede woont er niet meer en stelt dat de eerste heeft toegezegd de huur alleen voort te zetten.

De tweede medegedaagde vordert in een incident dat zij de eerste medegedaagde in vrijwaring mag oproepen, omdat hij volgens haar de huurovereenkomst alleen voortzet en zij niet aansprakelijk is voor de huurachterstand. De kantonrechter beoordeelt dit verzoek op grond van artikel 210 Rv Pro en oordeelt dat er voldoende rechtsverhouding tussen de medegedaagden bestaat die tot vrijwaring verplicht.

Het verzoek tot oproeping in vrijwaring wordt daarom toegewezen en de kosten van het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling, waarbij de medegedaagden een conclusie van dupliek mogen indienen.

Uitkomst: Verzoek tot oproeping in vrijwaring van medegedaagde wordt toegewezen en kosten van het incident worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 9653027 \ CV EXPL 22-2744
datum uitspraak: 3 juni 2022
Vonnis in incident van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Achmea Dutch Residential Fund,
vestigingsplaats: Amsterdam-Duivendrecht,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
tegen

1..[gedaagde 1],

woonplaats: [woonplaats gedaagde 1],
gedaagde in de hoofdzaak,
zonder gemachtigde,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats gedaagde 2],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
gemachtigde: mr. G. Sarier.
De partijen worden hierna ‘Achmea’ en ‘gedaagden’ genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaardingen van 25 en 31 januari 2022, met bijlagen;
  • de aantekeningen van de griffier van het mondelinge verweer van [gedaagde 1];
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak van [gedaagde 2], met bijlagen,
  • de incidentele conclusie van antwoord tevens conclusie van repliek in de hoofdzaak, met bijlagen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2..Het geschil in de hoofdzaak

2.1.
Achmea eist samengevat:
  • de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en gedaagden te veroordelen om het gehuurde te ontruimen;
  • gedaagden hoofdelijk te veroordelen aan haar te betalen € 6.805,08, met wettelijke rente over € 6.243,64, en de lopende huur vanaf 1 februari 2022
  • gedaagden te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit € 6.243,64 aan huurachterstand berekend tot
1 februari 2022 en buitengerechtelijke kosten van € 561,44 inclusief btw.
2.2.
Achmea baseert de eis op het volgende. Gedaagden zijn beiden contractuele huurders van de woonruimte aan de [adres] en hebben een huurachterstand laten ontstaan. Deze huurachterstand bedraagt meer dan drie maanden en rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst.
2.3.
Gedaagden hebben ieder afzonderlijk verweer gevoerd. [gedaagde 1] heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij in de woning wil blijven wonen en in principe de huur kan betalen. [gedaagde 2] heeft – kort samengevat – aangevoerd dat zij sinds 11 april 2021 niet meer woont in het gehuurde. Volgens haar heeft [gedaagde 1] toegezegd dat hij verantwoordelijk is voor de betaling van de huur, waardoor zij niet kan worden aangesproken voor de huurachterstand.

3..Het geschil in het incident

3.1.
[gedaagde 2] vordert dat haar wordt toegestaan [gedaagde 1] in vrijwaring op te roepen. Zij stelt daartoe het volgende.
3.2.
Bij e-mail van 21 april 2021 heeft [gedaagde 2] haar eenzijdige opzegging van de huurovereenkomst kenbaar gemaakt aan [gedaagde 1] en hem verzocht om mee te werken aan de opzegging. [gedaagde 1] heeft hierop laten weten dat hij in het gehuurde wilde blijven wonen en de huur voortaan zelf zou betalen. [gedaagde 2] had de woning per 11 april 2021 verlaten en verkeerde in de veronderstelling dat [gedaagde 1] vanaf april 2021 de huurbetalingen zou voortzetten. [gedaagde 1] liet de huurachterstand echter verder oplopen en verleende – ondanks herhaald verzoek hiertoe – geen medewerking aan opzegging van de huurovereenkomst door [gedaagde 2]. Hierdoor is [gedaagde 1] tekort geschoten in de nakoming van de afspraak met [gedaagde 2], althans heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagde 2].
3.3.
Achmea refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.

4..De beoordeling

in het incident
4.1.
Op de voet van artikel 209 Rv Pro wordt eerst beslist op het door [gedaagde 2] opgeworpen vrijwaringsincident. In verband daarmee overweegt de kantonrechter als volgt.
4.2.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór de weren van [gedaagde 2] genomen. Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv Pro kan een gedaagde een derde partij in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat een gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde partij een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde partij verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van de gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.3.
[gedaagde 2] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat tussen haar en [gedaagde 1] een rechtsverhouding bestaat die tot vrijwaring verplicht, zodat aan de vereisten voor oproeping in vrijwaring is voldaan. Nu Achmea zich daarnaast heeft gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter, zal de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring worden toegewezen.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de hoofdzaak
4.5.
Aangezien gedaagden reeds hebben gereageerd op de dagvaarding en Achmea een conclusie van repliek heeft ingediend, wordt de zaak verwezen naar na te melden rolzitting opdat gedaagden dan een conclusie van dupliek kunnen nemen.

5..De beslissing

De kantonrechter:
in het incident
staat [gedaagde 2] toe om [gedaagde 1], wonende te [adres], in vrijwaring op te roepen en verwijst de zaak ten behoeve van die oproeping naar de rolzitting van
29 juni 2022 om 14:30 uur;
compenseert de kosten van het incident, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
bepaalt dat gedaagden op de rolzitting van
29 juni 2022 om 14:30 uureen conclusie van dupliek mogen nemen;
wijst gedaagden erop dat de conclusie uiterlijk de dag vóór de genoemde rolzitting om 12:00 uur in tweevoud ter griffie ontvangen moet zijn. Ook kan het processtuk nog op de rolzitting zelf worden ingediend, maar dan moet rekening worden gehouden met een wachttijd;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L Spierings en in het openbaar uitgesproken.
48637