Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..[naam gedaagde 1],
[naam gedaagde 2],
1..De procedure
- het tussenvonnis van 14 april 2021 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- het deskundigenbericht van 25 februari 2022;
- de conclusies na deskundigenbericht van partijen.
2..De verdere beoordeling
5.2 Waarderingsmethoden
6..Prognose
- een arbeidsbeloning op basis van de CAO Horeca ad € 119.000, waarbij gezien de gemaakte opmerkingen de vergoeding inclusief het overwerk ad € 181.000 niet wordt meegenomen; en
- een arbeidsbeloning op basis van een vergelijkbare functie in de branche, alsmede werkzaamheden, werkervaring, uren en verantwoordelijkheid ad € 129.000.
[naam 2] is op 6 maart 2019 in dienst getreden. Dit betekent dat de kosten van [naam 2] in de periode van 6 maart tot 5 april 2019 derhalve wel voor rekening van alle drie de vennoten komen, aangezien [naam eiser] in de periode van 11 februari tot 5 april 2019 zelf ervoor gekozen heeft om geen arbeid te verrichten. (…)
372.645 381.399 389.027 396.808 404.744
24.111 24.593 25.085 25.587 26.099
-17.012 -13.874 -11.361 -9.544 -8.333
-31.187 -10.372 -9.291 35.128 39.973
21.161 3.211 1.617 1.650 1.683
1,19 1,40 1,66 1,97 2,34
2,34
2.942
-259.748
64.992
nietis meegerekend. De rechtbank gaat ervan uit dat dit een omissie van de deskundige betreft, die immers wel de post toelicht onder de tabel, wat zinloos zou zijn als het geen element van de berekening zou zijn. Daarom heeft de rechtbank rij 11 berekend als som van de drie erboven genoemde posten, dus inclusief de waarde belastingvoordelen.
zij werden veroorzaakt doordat [naam gedaagde 1] c.s. [naam eiser] niet meer toelieten tot de werkplek” besloten ligt. Hetgeen [naam eiser] op dit punt heeft aangevoerd faalt dan ook.
- kosten dagvaarding € 83,38
- griffierecht € 1.639,00
- salaris advocaat