ECLI:NL:RBROT:2022:7036

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 augustus 2022
Publicatiedatum
23 augustus 2022
Zaaknummer
ROT 21/4175
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.C.W. van der Feltz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 GemeentewetArt. 11 Invorderingswet 1990Art. 2 Kostenwet invordering rijksbelastingenArt. 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen aanmaningskosten gemeentelijke belastingen

Eiser kreeg op 18 januari 2021 aanslagen gemeentelijke belastingen opgelegd met een betalingstermijn tot 21 maart 2021. Na het uitblijven van betaling stuurde verweerder op 4 mei 2021 een aanmaning met aanmaningskosten van €17,-. Eiser betaalde alleen het aanslagbedrag en maakte bezwaar tegen de aanmaningskosten. Verweerder verklaarde een betalingsherinnering te hebben gestuurd op 13 april 2021, maar eiser ontving deze niet.

De rechtbank overwoog dat op grond van de Gemeentewet en Invorderingswet 1990 aanmaningskosten mogen worden opgelegd bij niet-tijdige betaling, zonder dat een betalingsherinnering verplicht is. Het ontbreken van ontvangst van een herinneringsbrief doet niet af aan de rechtmatigheid van de aanmaning en de kosten.

Daarom zijn de aanmaningskosten en de daarop volgende dwangbevelkosten terecht in rekening gebracht. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanmaningskosten wordt ongegrond verklaard en de kosten zijn terecht opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/4175

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2022 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. P. van Hattem.

Procesverloop

Bij aanslag lokale belastingen gedagtekend 18 januari 2021 heeft verweerder aan eiser aanslagen gemeentelijke belastingen (onroerendezaakbelasting eigenaren woning, rioolheffing en afvalstoffenheffing) opgelegd van in totaal € 1.243,51.
Bij brief van 4 mei 2021 heeft verweerder aan eiser een aanmaning gestuurd waarbij ook aanmaningskosten van € 17,- zijn opgelegd.
Eiser heeft bij brief van 20 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen de aanmaning.
Bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Met dagtekening 18 januari 2021 is aan eiser een aanslag gemeentelijke heffingen opgelegd. Op het aanslagbiljet staat vermeld dat de aanslag vóór 21 maart 2021 dient te worden betaald. Eiser heeft de aanslag niet voor de laatste vervaldag betaald. Verweerder stelt (en door eiser betwist) een brief op 13 april 2021 te hebben verstuurd met een betalingsherinnering ter voorkoming van een aanmaning.
1.1.
Als gevolg van het uitblijven van de betaling van de aanslag heeft verweerder een aanmaning met dagtekening 4 mei 2021 aan eiser toegezonden. Het totaalbedrag van de aanmaning van € 1.260,51 is onderverdeeld in € 1.243,51 (bedrag van de aanslag gemeentelijke heffingen) en € 17,- (aanmaningskosten). Eiser heeft op 11 mei 2021 een betaling gedaan van € 1.243,51 (het bedrag van de gemeentelijke aanslag zonder de aanmaningskosten). Bij brief van 3 juni 2021 heeft verweerder aan eiser een dwangbevel gestuurd voor een verschuldigd bedrag van € 17,- waarbij ook dwangbevelkosten van € 44,- zijn opgelegd.
1.2.
In geschil is of de aanmaningskosten (en dus ook: de kosten van het dwangbevel) terecht in rekening zijn gebracht.
2. Eiser voert aan dat aanmaningskosten pas in rekening kunnen worden gebracht nadat een aanmaningsbrief is verzonden. De brief met de betalingsherinnering die verweerder stelt te hebben verzonden op 13 april 2021 heeft eiser niet ontvangen. Nu eiser voorafgaand aan de aanmaning geen herinnering heeft ontvangen kunnen er geen aanmaningskosten in rekening worden gebracht.
3. Op grond van artikel 231, eerste lid, Gemeentewet geschieden de heffingen en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 (IW 1990) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.
3.1.
Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger op grond van artikel 11 IW Pro 1990 hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.
Op grond van artikel 2 Kostenwet Pro invordering rijksbelastingen zijn aan het verzenden van een aanmaning tot betaling kosten verbonden, namelijk een bedrag van € 8,- bij een gevorderde som tot € 454,- en een bedrag van € 17,- bij een gevorderde som van € 454,- of meer (tarieven 2021). Tegen de door de ontvanger in rekening gebrachte kosten kan ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger en nadien beroep worden ingesteld bij de belastingrechter.
3.2.
Vaststaat dat eiser de aanslag niet vóór de laatste vervaldatum (21 maart 2021) heeft betaald. Uit wet- en regelgeving volgt niet dat verweerder gehouden was een brief (ter herinnering) te versturen vóór het versturen van de aanmaning. De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet. Dat verweerder in onderhavige zaak een brief heeft verstuurd op 13 april 2021 met een kosteloze betalingsherinnering en eiser deze brief nooit heeft gehad doet niets af aan de rechtmatigheid van de aanmaning. Verweerder was namelijk niet wettelijk verplicht een dergelijke brief te versturen.
3.3.
Uit de conclusie van de rechtbank dat de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht volgt ook het dwangbevel terecht is opgelegd (inclusief kosten betekening van het dwangbevel).
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2022.
Rechter Griffier
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).