Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij een betaling van 22,82% van de totale schuldenlast van circa €62.363,57 wordt voorgesteld. Zes van de zeven schuldeisers gingen hiermee akkoord, maar één schuldeiser, met een vordering van ruim 62% van de totale schuld, stemde niet in en vond het aanbod te laag.
De rechtbank heeft beoordeeld of deze schuldeiser in redelijkheid tot weigering kon komen, waarbij zij afwoog tegen de belangen van verzoeker en de overige schuldeisers. Verzoeker heeft een vast arbeidscontract en werkt gemiddeld 30 uur per week, met de intentie dit uit te breiden, en staat onder beschermingsbewind. De schuldregeling is getoetst en gedocumenteerd door een onafhankelijke partij.
De rechtbank concludeerde dat het voorstel het uiterste is wat van verzoeker verwacht kan worden en dat het dwangakkoord een gunstiger resultaat biedt voor de gezamenlijke schuldeisers dan geen regeling. Het verzoek om de schuldeiser te bevelen in te stemmen met de regeling is daarom toegewezen. Het subsidiaire verzoek tot toelating tot wettelijke schuldsanering is afgewezen vanwege een eerdere toepassing binnen tien jaar. De schuldeiser die in verzet was, is veroordeeld in de proceskosten.