Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding met producties van 11 juli 2022;
- de conclusie van antwoord;
- de pleitnota van de man.
Rechtbank Rotterdam
Partijen hadden een affectieve relatie en een gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, dat bij de vrouw woonde. De rechtbank had bij beschikking bepaald dat de vrouw binnen een maand met de minderjarige terug moest verhuizen naar de woonplaats van de man. De vrouw voldeed hier niet aan en stelde dat zij geen woonruimte kon vinden.
De man vorderde in kort geding nakoming van deze beschikking op straffe van voorlopige toevertrouwing van de minderjarige aan hem, dan wel een dwangsom. De vrouw voerde verweer over de onmogelijkheid tot terugverhuizing door de krappe woningmarkt en gewijzigde woonsituatie bij haar ouders.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw zonder toestemming van de man was verhuisd en dat een rechterlijke uitspraak nagekomen moet worden, ongeacht onmacht. Daarom werd de vrouw veroordeeld tot nakoming binnen drie dagen, met voorlopige toevertrouwing aan de man als dwangmiddel. De proceskosten werden gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Uitkomst: De vrouw is veroordeeld tot nakoming van de terugverhuizing binnen drie dagen, op straffe van voorlopige toevertrouwing van de minderjarige aan de man.