ECLI:NL:RBROT:2022:7115
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens niet aannemelijk gemaakt ernstig psychisch letsel na bedreigingen
Eiser heeft een aanvraag ingediend bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor een uitkering wegens schade door bedreigingen, welke aanvankelijk werd afgewezen omdat het niet ging om een geweldsmisdrijf maar om oplichting. Na bezwaar werd erkend dat sprake was van incidentele bedreigingen, maar de aanvraag bleef afgewezen omdat eiser niet aannemelijk maakte dat hij ernstig psychisch letsel had opgelopen.
Eiser stelde dat hij door de bedreigingen wel degelijk ernstig psychisch letsel had opgelopen, onderbouwd met een verklaring van een psychiater die spanningsklachten constateerde en medicatie voorschreef. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaring geen diagnose bevatte, geen causaal verband aantoonde met de bedreigingen en geen langdurig of blijvend letsel aannemelijk maakte.
Daarnaast faalde het betoog dat de commissie ten onrechte het verzoek om vergoeding van kosten in bezwaar had afgewezen, omdat de afwijzing niet was herroepen en het motiveringsgebrek niet aan de commissie te wijten was.
De rechtbank concludeerde dat de commissie in overeenstemming met haar beleid had gehandeld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat eiser ernstig psychisch letsel heeft opgelopen door bedreigingen.