ECLI:NL:RBROT:2022:7156

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 augustus 2022
Publicatiedatum
25 augustus 2022
Zaaknummer
10/113254-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 4 Penitentiaire beginselenwetArt. 6:2:10 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor invoer en bezit van ruim 46 kilo hasjiesj tot 14 maanden gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam heeft op 11 augustus 2022 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van het invoeren, vervoeren en aanwezig hebben van ruim 46 kilo hasjiesj. De verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en er is geen verweer gevoerd dat tot vrijspraak zou leiden. De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde bewezen en sprak de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.

De strafbaarheid van het feit is vastgesteld op grond van de Opiumwet, waarbij sprake is van een eendaadse samenloop van meerdere verboden handelingen. De rechtbank oordeelde dat er geen omstandigheden zijn die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoonlijke situatie van de verdachte. Gezien de aard en ernst van het feit en vergelijkbare zaken achtte de rechtbank een gevangenisstraf van 14 maanden passend. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de straf.

De rechtbank benadrukte dat ook softdrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat het handelen van de verdachte heeft bijgedragen aan de internationale drugshandel en de daarmee samenhangende maatschappelijke problemen. De verdachte handelde uit financieel gewin en heeft zich weinig aangetrokken van de ernst van zijn handelen.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, waarbij de oudste en jongste rechter niet konden ondertekenen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf voor invoer en bezit van ruim 46 kilo hasjiesj.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/113254-22
Datum uitspraak: 11 augustus 2022
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte],
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
postadres: [postadres],
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet.
Raadsvrouw mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 augustus 2022.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest.

4..De verdediging

De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd.

5..Waardering van het bewijs

5.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
5.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij
op 5 mei 2022 te Rotterdam,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht envervoerd enaanwezig heeft gehad, ongeveer 23,20 kilogram en 23,35 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een
middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6..Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
eendaadse samenloop van
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

7..Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

8..Motivering straf

8.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
8.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van verdovende middelen. Hij heeft in twee koffers ruim 46 kilogram hasjiesj ons land via Rotterdam The Hague Airport binnengebracht.
Het behoeft geen betoog dat dit een ernstig feit betreft. Ook softdrugs zijn zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Bovendien is het algemeen bekend dat het gebruik van dit soort verdovende middelen zeer verslavend is en indirect de oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het faciliteren, het in stand houden en verder uitbreiden van het drugsgebruik en de drugshandel en de daaraan verwante sociale en maatschappelijke problemen. Door zijn handelen heeft de verdachte bovendien een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Van dit alles heeft de verdachte zich weinig aangetrokken. Hij heeft bekend dat hij zich louter heeft laten leiden door financieel gewin om zo te trachten uit zijn financiële problemen te komen.
Redenen waarom tegen dit soort strafbare feiten streng en consequent dient te worden opgetreden.
8.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juli 2022, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder met de strafrechter in aanraking is gekomen. Uit het uittreksel van het European Criminal Records Information System (Ecris) van 10 mei 2022 blijkt dat de verdachte eerder in België onder meer is veroordeeld voor een feit betreffende verdovende middelen.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden zoals die uit de stukken zijn gebleken en op de terechtzitting naar voren zijn gebracht.
8.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de aard en de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

9..Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

10..Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11..Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
mr. M.J.M. van Beckhoven en mr. I. Tillema, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 5 mei 2022 te Rotterdam, althans in Nederland,
opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of vervoerd en/of
aanwezig heeft gehad,
ongeveer 23,20 kilogram en/of 23,35 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid
van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van
hennep (hasjiesj)
waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een
middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.