De rechtbank Rotterdam heeft op 11 augustus 2022 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van het invoeren, vervoeren en aanwezig hebben van ruim 46 kilo hasjiesj. De verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en er is geen verweer gevoerd dat tot vrijspraak zou leiden. De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde bewezen en sprak de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.
De strafbaarheid van het feit is vastgesteld op grond van de Opiumwet, waarbij sprake is van een eendaadse samenloop van meerdere verboden handelingen. De rechtbank oordeelde dat er geen omstandigheden zijn die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoonlijke situatie van de verdachte. Gezien de aard en ernst van het feit en vergelijkbare zaken achtte de rechtbank een gevangenisstraf van 14 maanden passend. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de straf.
De rechtbank benadrukte dat ook softdrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat het handelen van de verdachte heeft bijgedragen aan de internationale drugshandel en de daarmee samenhangende maatschappelijke problemen. De verdachte handelde uit financieel gewin en heeft zich weinig aangetrokken van de ernst van zijn handelen.
De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, waarbij de oudste en jongste rechter niet konden ondertekenen.