Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om twee schuldeisers, Vodafone en T-Mobile, te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling. De regeling betrof een betaling van 1,36% aan preferente en 0,68% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die een Participatiewet-uitkering ontvangt en vrijgesteld is van sollicitatieplicht vanwege multi-problematiek.
Zestien van de achttien schuldeisers stemden in met het akkoord, maar Vodafone en T-Mobile weigerden dit, stellende dat het aanbod te laag was. De rechtbank stelde vast dat het verzoek alleen betrekking had op verzoeker en dat de weigering van deze twee schuldeisers niet redelijk was gezien hun geringe aandeel in de totale schuld (10,5%) en het feit dat het akkoord door een onafhankelijke partij was getoetst.
De rechtbank overwoog dat verzoeker onder beschermingsbewind staat, geen nieuwe schulden zal maken en ondersteuning ontvangt van het Leger des Heils. De regeling biedt een prognoseakkoord, waarbij toekomstige verbeteringen in afloscapaciteit ten goede komen aan schuldeisers. De rechtbank concludeerde dat de belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan die van de weigeraars en wees het verzoek toe. Tevens werd het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.