Verzoeker heeft bij de Rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet, gericht op het moratorium ter voorkoming van ontruiming van zijn woonruimte. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie omdat een ontruimingsvonnis en exploot waren overgelegd.
Verweerster voerde aan dat verzoeker structureel de huur niet tijdig betaalde, geen inzicht gaf in zijn financiële situatie en een betalingsregeling niet nakwam. De huurachterstand was verder opgelopen na het vonnis van 23 mei 2022. Verzoeker kon niet aannemelijk maken dat hij de lopende huur, met name die van juli 2022, had voldaan.
De rechtbank overwoog dat het belang van verweerster, die het ontruimingsvonnis wil effectueren, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Daarnaast verklaarde de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet spoedig zal zijn afgerond. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De uitspraak werd gedaan door rechter F. Damsteegt op 13 juli 2022.