Eiser, werkzaam als schoonmaker, meldde zich in januari 2017 ziek wegens lichamelijke klachten. Na toekenning van een WIA-uitkering in 2019 met een arbeidsongeschiktheid van 67,87%, besloot het UWV in 2020 deze uitkering te beëindigen per februari 2021, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens een herbeoordeling was gedaald tot 26,30%. De voormalige werkgevers maakten bezwaar tegen dit besluit, waarna het UWV het primaire besluit herzag en de uitkering beëindigde.
Eiser voerde aan dat zijn klachten ongewijzigd waren en dat de lagere arbeidsongeschiktheid onjuist was. De rechtbank stelde vast dat de medische beoordeling door verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van eiser voldoende waren onderkend. De arbeidsdeskundige had passende functies vastgesteld die eiser nog kon uitvoeren, wat leidde tot een lagere theoretische arbeidsongeschiktheid.
Hoewel de bestreden besluiten aanvankelijk niet zorgvuldig waren voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat het UWV ook bij correcte voorbereiding tot dezelfde uitkomst zou zijn gekomen. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eiser wordt vergoed.