Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de tussenvonnissen van 23 juni 2021 en 1 december 2021,
- het nader deskundigenbericht,
- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] ,
- de conclusie na deskundigenbericht van Allianz.
2.De verdere beoordeling
Inleiding
In uw deskundigenrapport van 27 juni 2018 schrijft u dat er geen eenduidig/direct medisch causaal verband is tussen het ongeval en de schizo-affectieve stoornis. Wilt u dit antwoord nader toelichten en daarbij r.o. 4.27 van het tussenvonnis betrekken?
Zou de schizo-affectieve stoornis ook zijn ingetreden indien het ongeval niet had plaatsgehad, maar de latere gebeurtenissen die geen verband houden met het ongeval (zoals bijvoorbeeld de brand in 2013) wel? Indien en voor zover u deze vraag niet met ja of nee kunt beantwoorden, wilt u dan uw waarschijnlijkheidsoordeel geven? U kunt daarbij aangeven of u het hoogst waarschijnlijk, waarschijnlijk of onwaarschijnlijk of hoogst onwaarschijnlijk acht dat de klachten of afwijkingen er zonder ongeval ook zouden zijn geweest of op enig moment hadden kunnen ontstaan.
Indien de klachten niet (in dezelfde mate) aanwezig zouden zijn indien het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan, wilt u dan beschrijven welk gewicht aan het ongeval moet worden toegekend in verhouding tot alle overige omstandigheden/factoren die volgens u een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de schizo-affectieve stoornis?
Wilt u voormelde vragen zo uitgebreid mogelijk motiveren, waar mogelijk mede aan de hand van medisch wetenschappelijke literatuur, de bij de akte uitlaten na tussenvonnis van 23 juni 2021 van Allianz gevoegde literatuur daaronder begrepen?
Heeft u overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?
geensymptomen van een posttraumatische-stressstoornis (meer) geconstateerd.”