Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
4..Waardering van het bewijs
- een vuurwapen van de categorie III van de Wet wapens en munitie (feit 1);
- munitie en onderdelen van munitie van de categorie III van de Wet wapens en munitie feit 3). Deze feiten zullen daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
5..Strafbaarheid feiten
2..(subsidiair)
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II;
5..
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit en
6..
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
6..Strafbaarheid verdachte
7..Motivering straf
8..Toepasselijke wettelijke voorschriften
- 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
9..Bijlagen
10..Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;
5 (vijf) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;