De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen een verdachte rechtspersoon die tussen januari 2013 en april 2015 afvalstoffen, specifiek afgewerkte bleekaarde, illegaal heeft overgebracht van Nederland naar Denemarken. De overbrengingen geschiedden met onjuist ingevulde bijlage VII-documenten, wat in strijd is met de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA).
De verdachte rechtspersoon ontkende in strijd te hebben gehandeld met de EVOA en voerde aan dat de EVOA-bepalingen zich niet tot haar richtten, aangezien een andere partij verantwoordelijk was voor het invullen van de documenten. De rechtbank verwierp dit verweer en stelde dat het verbod op illegale overbrenging zich tot een ieder richt, ongeacht wie de formulieren invult.
De rechtbank oordeelde dat het opzet van de verdachte rechtspersoon zich slechts hoefde te richten op de gedragingen van overbrenging en niet op de onjuistheid van de documenten. Gezien de kennis van de verdachte over de inhoud van de documenten en het nalaten van ingrijpen, werd het opzet vastgesteld.
De rechtbank veroordeelde de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 20.000,- waarvan € 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, de duur en frequentie van de overtredingen, en de beperkte rol bij het invullen van de documenten.