Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
- [eiser] in persoon, bijgestaan door mr. N, Agayev;
- [gedaagde] in persoon, bijgestaan door [naam].
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak staat centraal of het gehuurde pand wordt gebruikt als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW of als woonruimte. Eiser vordert ontruiming op grond van het huurregime voor bedrijfsruimte en stelt dat de huurder niet woonachtig is in het pand. De huurder betwist dit en stelt wel haar hoofdverblijf in het gehuurde te hebben.
De kantonrechter beoordeelt de situatie zoals die was op het moment van de opzegging van de huurovereenkomst op 21 april 2022. Uit de stellingen en producties blijkt dat er aanwijzingen zijn voor beide standpunten, waardoor niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de huurder niet haar hoofdverblijf in het pand heeft.
Omdat de procedure zich niet leent voor uitgebreid bewijsonderzoek, is onvoldoende aannemelijk dat de vordering zal worden toegewezen. De vordering wordt daarom afgewezen. De tegenvordering van de huurder tot vernietiging van de opzegging wordt niet behandeld vanwege het voorlopige karakter van de uitspraak.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, waarbij de huurder een vergoeding van €50,- ontvangt voor reis- en verletkosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende zekerheid over het hoofdverblijf van de huurder.