De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor zes maanden, vanwege een verstoorde ouder-kindrelatie en eerdere problemen thuis, waaronder huiselijk geweld. De minderjarige verblijft sinds september 2021 vrijwillig in het gezinshuis van haar tante, waar zij positieve ontwikkeling toont.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat de moeder en de tante goede afspraken maken over de zorg en dat de moeder openstaat voor ambulante hulpverlening. De gedragswetenschapper verbonden aan het gezinshuis coördineert de hulp. De Raad erkent de positieve veranderingen maar handhaaft het verzoek vanwege de gezinshistorie.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling niet zijn vervuld omdat de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige wordt aangepakt met vrijwillige hulp en inzet van alle betrokkenen. Hierdoor is een machtiging tot uithuisplaatsing niet nodig. De verzoeken worden daarom afgewezen en het verblijf bij de tante blijft vrijwillig voortgezet.