Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen een schuldeiser die weigert in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling betreft betaling van 10,45% van de totale schuldenlast aan elf concurrente schuldeisers, waarvan tien schuldeisers instemmen en één schuldeiser, LAVG, weigert.
LAVG voert aan dat de schuld niet te goeder trouw is ontstaan en dat het aanbod niet het maximaal haalbare betreft, mede omdat geen rekening is gehouden met toekomstige inkomsten. Verzoeker heeft geen medische documenten of een strafrechtelijk vonnis overgelegd, ondanks verzoeken van de rechtbank. Hierdoor is onvoldoende duidelijk of zijn huidige afloscapaciteit het maximum is.
De rechtbank stelt vast dat het voorstel door een deskundige partij is getoetst en dat een ruime meerderheid van schuldeisers instemt. Echter, zonder bewijs van arbeidsongeschiktheid kan niet worden aangenomen dat verzoeker niet meer kan aflossen. Ook ontbreekt een strafrechtelijk vonnis dat relevant kan zijn voor de beoordeling.
Gezien het ontbreken van deze stukken en het gebrek aan een saneringsgezinde houding, weegt het belang van de weigerende schuldeiser zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek om een dwangakkoord af te dwingen afgewezen. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt later.
Uitkomst: Het verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van maximale afloscapaciteit en saneringsgezindheid.