Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:7974

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
FT EA 22/574
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 288 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende medewerking en twijfel aan saneringsbereidheid

Verzoeker diende op 23 juni 2022 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting van 25 augustus 2022 werden verzoeker en een vertegenwoordiger van de Kredietbank Rotterdam gehoord. De rechtbank stelde de zaak aanhoudend in afwachting van aanvullende stukken, waaronder een strafrechtelijk vonnis en medische documenten.

Ondanks uitstelverzoeken leverde verzoeker deze documenten niet tijdig aan, waardoor de rechtbank geen volledig inzicht kreeg in de (medische) situatie van verzoeker. Dit leidde tot twijfel of verzoeker in staat is om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat verzoeker geen saneringsgezinde houding heeft getoond, wat de twijfel over de saneringsbereidheid versterkt. Gezien deze omstandigheden wees de rechtbank het verzoek af.

De beslissing werd op 22 september 2022 openbaar uitgesproken door rechter C. de Jong, met griffier B.G. van der Vlies aanwezig. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak, uitsluitend door een advocaat in te dienen bij het bevoegde gerechtshof.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende medewerking en twijfel aan saneringsbereidheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 22 september 2022
[verzoeker],
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 23 juni 2022 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker en mevrouw [persoon A] , Kredietbank Rotterdam, zijn gehoord ter terechtzitting van 25 augustus 2022.
De zaak is aangehouden tot 15 september 2022 in afwachting van nakomende stukken, waaronder een strafrechtelijk vonnis en medische documenten. Schuldhulpverlening heeft de rechtbank 12 september 2022 per e-mail bericht dat schuldenaar nog niet in staat was de gevraagde stukken aan te leveren en heeft om uitstel gevraagd.
De rechtbank heeft vervolgens besloten de zaak aan te houden tot 22 september 2022.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit een Participatiewetuitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 16.109,94.

3..De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
Verzoeker heeft nagelaten om de ter zitting opgevraagde aanvullende stukken (het strafrechtelijk vonnis en medische documenten) tijdig en volledig bij de rechtbank aan te leveren, ondanks een gehonoreerd verzoek voor één week uitstel. Hierdoor heeft de rechtbank geen goed beeld gekregen van de (medische) situatie van verzoeker en heerst er twijfel of verzoeker in staat is om de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling na te komen. Daarnaast heeft verzoeker hiermee geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding en heerst er bij de rechtbank ook twijfel over de saneringsbereidheid van verzoeker.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

4..De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 september 2022. [1]