ECLI:NL:RBROT:2022:804

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2022
Publicatiedatum
7 februari 2022
Zaaknummer
9293811 CV EXPL 21-21554
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:97 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering schadevergoeding wegens lekkage en discussie over schadebegroting afgewezen behalve klein bedrag

Eiser huurt een woning van Woonbron waar in 2018 werkzaamheden zijn verricht die schade aan zijn inboedel veroorzaakten. Eiser stelt dat de schade hoger is dan de door de verzekeraar van Woonbron begrote € 4.508,- en vordert het verschil plus kosten van contra-expertise.

Woonbron erkent aansprakelijkheid maar bestrijdt de hoogte van de schadevergoeding. De rechtbank stelt dat eiser zijn schadevordering onvoldoende heeft onderbouwd, onder meer door het ontbreken van aankoopbonnen en foto's, en dat de door zijn expert gehanteerde waardes onrealistisch hoog zijn.

De rechtbank past artikel 6:97 BW Pro toe en schat de schade op het bedrag van de expert van Woonbron. Het verschil tussen dit bedrag en de reeds betaalde vergoeding is € 92,38, dat Woonbron moet betalen, plus wettelijke rente vanaf de datum van schade. De kosten van de contra-expertise worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Woonbron moet € 92,38 plus wettelijke rente betalen, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9293811 CV EXPL 21-21554
uitspraak: 7 januari 2022 (bij vervroeging)
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser],
eiser bij exploot van dagvaarding van 16 juni 2021,
gemachtigde: mr. R. Scheltes te Rotterdam,
tegen
de stichting
Stichting Woonbron,
gevestigd te Rotterdam:
gedaagde,
gemachtigde: mr. T.A. Vermeulen te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ respectievelijk ‘Woonbron’.

1..Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • het vonnis van 30 augustus 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van 20 december 2021. [eiser] is toen verschenen, vergezeld van [naam 1] als tolk en bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam 2] is verschenen namens Woonbron, bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen en hun gemachtigden zijn in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven. Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op vandaag.

2..De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1
[eiser] huurt van Woonbron de woning aan de [adres] (hierna ‘het gehuurde’). In opdracht van Woonbron zijn op 24 september 2018, 7 december 2018 en 21 december 2018 werkzaamheden verricht in het gehuurde. Daarbij is schade ontstaan aan de eigendommen (inboedel) van [eiser].
2.2
Namens de verzekeraar van Woonbron heeft [naam expert 1], een schade-expert, de schade van [eiser] begroot op een bedrag van € 4.508,-. Namens [eiser] heeft [naam expert 2], eveneens een schade-expert, op 1 november 2018 de schade opgenomen. Zij heeft de schade begroot op € 8.990,-. Woonbron heeft een bedrag van € 4.415,62 ter zake van de schade aan [eiser] betaald.

3..Het geschil

3.1
[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Woonbron te veroordelen aan hem te betalen € 4.824,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 september 2018, met veroordeling van Woonbron in de kosten van de procedure en nasalaris.
3.2
Woonbron heeft verweer gevoerd.
3.3
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, nader ingegaan.

4..De beoordeling

4.1
Woonbron heeft aanvankelijk als verweer gevoerd dat over de vordering van [eiser] reeds is beslist door het Hof Den Haag in zijn arrest van 1 december 2020 (zaaknummer 200.222.737/02). Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen echter vastgesteld dat dit niet het geval is. Aan dit verweer van Woonbron wordt dan ook voorbij gegaan.
4.2
Niet in geschil is dat schade is veroorzaakt aan de eigendommen van [eiser] en dat Woonbron voor die schade aansprakelijk is. Evenmin is tussen partijen in geschil dat deze schade ten minste dient te worden begroot op een bedrag van € 4.508,-. Tussen partijen is enkel in geschil of de door [eiser] gevorderde bedragen – het verschil tussen € 8.990,- en € 4.508,- en de kosten van de contra-expertise à € 250,- – toewijsbaar zijn.
4.3
Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag welke eisen gesteld mogen worden aan de onderbouwing van [eiser] van zijn schadevordering. Woonbron heeft gesteld dat [eiser], althans [naam expert 2], had moeten motiveren waarom hij/zij afwijkt van de door [naam expert 1] begrote herstelkosten en waarom hij/zij voor sommige posten (zoals de beschadigde zithoek) zowel herstelkosten als waardevermindering rekent.
4.4
De kantonrechter stelt voorop dat ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel de gewone bewijsregels gelden (vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR 2009:BH2162). Dit betekent dat [eiser] zijn stellingen moet bewijzen, maar alleen indien en voor zover Woonbron die stellingen voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dit laat onverlet dat de rechter op grond van artikel 6:97 BW Pro de schade kan begroten op de wijze die het meest in overeenstemming is met de aard daarvan en die kan schatten indien de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Uitgangspunt daarbij is dat [eiser] zoveel mogelijk in de toestand dient te worden gebracht waarin hij had verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Bij zaakschade ligt het voor de hand om uit te gaan van de naar objectieve maatstaven berekende kosten van herstel van de beschadigde zaken (vgl. HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2786).
4.5
De kantonrechter zal de schade van [eiser] met toepassing van artikel 6:97 BW Pro schatten, nu de omvang daarvan op basis van de overgelegde stukken niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Daarbij wordt het volgende overwogen. [eiser] heeft zijn vordering onderbouwd met de door [naam expert 2] opgestelde begroting. [eiser] heeft desgevraagd verklaard dat er geen foto’s zijn gemaakt van de schade en dat hij niet beschikt over aankoopbonnen van de beschadigde zaken. Van [eiser] mocht in het kader van de op hem rustende stelplicht echter worden verwacht dat hij niet zou volstaan met het overleggen van het rapport van [naam expert 2], maar dat hij zijn stelling dat de schade hoger is dan door [naam expert 1] begroot deugdelijk zou onderbouwen, meer bepaald door concreet aan te geven, eventueel aan de hand van een aanvullende toelichting van [naam expert 2], op welke punten van de begroting van [naam expert 1] moet worden afgeweken en waarom. Dat heeft [eiser] echter nagelaten. Daarnaast komen de door [naam expert 2] genoemde bedragen de kantonrechter bovenmatig voor. De door [naam expert 2] gehanteerde dagwaardes doen (immers) veronderstellen dat de beschadigde zaken vrijwel in nieuwstaat verkeerden, zodat het dan te meer voor de hand zou hebben gelegen dat [eiser] nog over aankoopbonnen en/of bankafschriften ter zake zou beschikken waarmee de gestelde schade had kunnen worden onderbouwd. Nu deze bonnen ontbreken en ook geen foto’s van de beschadigde zaken zijn gemaakt, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de schade te schatten op een hoger bedrag dan door [naam expert 1] begroot.
4.6
Nu de schade van [eiser] wordt begroot op € 4.508,- en partijen het erover eens zijn dat hiervan al een bedrag van € 4.415,62 door Woonbron is betaald, wordt Woonbron veroordeeld om nog een bedrag van € 92,38 aan [eiser] te betalen.
4.7
De daarover gevorderde wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW Pro) is, als op de wet gegrond en door Woonbron niet (afzonderlijk) weersproken, eveneens toewijsbaar.
4.8
Het door [eiser] gevorderde bedrag ter zake van de contra-expertise à € 250,- wordt afgewezen, nu deze kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets. Deze rapportage was niet noodzakelijk ter vaststelling van de aansprakelijkheid van Woonbron – die niet ter discussie stond – terwijl de door [naam expert 2] gehanteerde begroting een deugdelijke onderbouwing ontbeert.
4.9
De kantonrechter ziet in de uitkomst van de procedure en de overige omstandigheden van het geval aanleiding om de kosten van de procedure te compenseren zodat ieder van de partijen de eigen kosten blijft dragen. Daarbij heeft meegewogen dat met name het standpunt van Woonbron pas bij gelegenheid van de mondelinge behandeling voldoende is toegelicht om haar verweer te kunnen begrijpen, terwijl ook niet gezegd kan worden dat [eiser] deze procedure zonder recht of reden is gestart.

5..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt Woonbron om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 92,38, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro vanaf 24 september 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;
compenseert de kosten van de procedure zodat ieder der partijen de eigen kosten blijft dragen;
verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
51909