De zaak betreft een geschil tussen Stichting Vestia en een huurder over huurachterstand en ontbinding van de huurovereenkomst van een woning in Rotterdam. Vestia eist betaling van de achterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De huurder betwist de ontbinding en stelt dat Vestia niet heeft voldaan aan de meldplicht op grond van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand €2.345,85 bedraagt en niet langer wordt betwist. Vestia heeft het dossier ter incasso uit handen gegeven in december 2020, vóór de inwerkingtreding van het Besluit per 1 januari 2021. De rechter oordeelt dat de meldplicht wel van toepassing is vanaf het moment dat problematische schulden zijn ontstaan, namelijk na januari 2021.
Vestia heeft onvoldoende aangetoond dat zij aan de meldplicht heeft voldaan, zoals het persoonlijk contact met de huurder en het wijzen op schuldhulpverlening. Hierdoor is geen vroegsignalering van problematische schulden gerealiseerd. De huurder heeft inmiddels zelf schuldhulpverlening aangevraagd en betaalt de lopende huur. Gelet op deze omstandigheden weegt het belang van de huurder bij voortzetting van de huurovereenkomst zwaarder dan het belang van Vestia bij ontbinding en ontruiming.
De vordering tot betaling van de huurachterstand en rente wordt toegewezen, maar de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat niet is vastgesteld dat de aanmaning is ontvangen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.