Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoekster;
- de heer M. Madja, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. Zij ontvangt een Participatiewet-uitkering en betaalt de huur sinds januari 2022 weer. Schuldhulpverlening heeft budgetbeheer opgestart en zal de huurbetalingen vanaf september 2022 verzorgen.
Verweerster betwist het verzoek en wijst op een huurachterstand van acht maanden, die na een eerder vonnis niet is ingelopen. De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie, aangezien een ontruiming gepland stond en opnieuw dreigt.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de lopende betalingen en het budgetbeheer weegt het belang van verzoekster zwaarder.
De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegekend, met de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek later.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.