ECLI:NL:RBROT:2022:822

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 februari 2022
Publicatiedatum
8 februari 2022
Zaaknummer
10/299404-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor bezit en voorbereiding van harddrugs en versnijdingsmiddelen

Op 2 november 2021 werd verdachte aangehouden in Rotterdam met ruim 2,6 kilogram heroïne en 6,1 gram cocaïne in een auto die op naam van zijn broer stond. In een schuurtje bij een woning van zijn ex-vriendin werden daarnaast diverse stoffen aangetroffen die bestemd waren voor het versnijden en bewerken van harddrugs. Verdachte voerde aan geen wetenschap te hebben van de drugs, maar de rechtbank oordeelde dat hij beschikkingsmacht had over de auto en de aangetroffen stoffen en dat zijn verklaringen ongeloofwaardig waren.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk de drugs en versnijdingsmiddelen in bezit had en dat hij wist van de bestemming van de stoffen in het schuurtje. Verdachte werd vrijgesproken van het bezit van een kleine hoeveelheid MDMA, omdat dit niet overtuigend was bewezen.

De straf werd bepaald op 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, mede vanwege de ernst van de feiten, de maatschappelijke ondermijnende aard van de drugshandel en het eerdere strafblad van verdachte. Daarnaast werd een bedrag van €525,- terugggegeven dat in beslag was genomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/299404-21
Datum uitspraak: 1 februari 2022
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Lelystad,
raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2022.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4..Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De verdachte had geen wetenschap van de in de auto aangetroffen harddrugs. De verdachte wist ook niet dat de door hem voor een vriend in de schuur opgeslagen stoffen bestemd waren voor het versnijden van harddrugs. Daar komt bij dat het onderzoek niet volledig is geweest, zodat niet uitgesloten kan worden dat andere personen in de auto zijn geweest. Mogelijk is het DNA van verdachte via de autosleutel op de tape van een van de in de auto aangetroffen blokken heroïne terecht gekomen.
4.1.2.
Beoordeling
Bij het fouilleren van verdachte treft de politie in zijn jaszak twee kleine gripzakjes met – naar later blijkt - 0,6 gram cocaïne aan. Verdachte wordt aangehouden. De politie doorzoekt de Toyota en treft daarin een key koord aan met twee sleutels en een autosleutel van een Alfa Romeo. Een van deze sleutels past op de woning aan de [adres delict] en het bijbehorende schuurtje. In dat schuurtje worden onder meer 5,5 gram cocaïne, 75 kilogram paracetamol, 436 gram fenacetine, 206 gram coffeïne en vier emmers met gekleurd poeder aangetroffen. De andere sleutel is van het afgesloten parkeerterrein, waar op de parkeerplaats behorend bij de [adres delict] een Alfa Romeo geparkeerd staat. De bij de verdachte aangetroffen autosleutel ontgrendelt die Alfa Romeo, die op naam van de broer van verdachte blijkt te staan. In de kofferbak van deze auto liggen drie boodschappentassen met diverse blokken en zakken, waarin in totaal ruim 2,6 kilogram heroïne zit. Op de tape van één van de aangetroffen blokken wordt een DNA-spoor aangetroffen dat, gelet op het oordeel van de deskundige hierover, kan worden herleid naar verdachte en een onbekende, niet verwante persoon.
De rechtbank stelt vast dat, naar de uiterlijke omstandigheden beoordeeld, de in de Alfa Romeo aangetroffen goederen zich in de beschikkingsmacht van de verdachte bevonden, die de sleutel van die auto en daarmee toegang tot de aangetroffen drugs had en wiens DNA- spoor op een van de blokken heroïne is aangetroffen. Dit zou anders kunnen zijn indien de verdachte voor de hierboven beschreven feiten en omstandigheden een aannemelijke, tot een andere conclusie strekkende uitleg zou geven. De verdachte is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.
De verdachte heeft verklaard dat de auto al enige tijd niet meer te gebruiken was door een mankement. Dat een ander dan de verdachte die drugs, met een aanzienlijke straatwaarde, in de kofferbak daarvan zou achterlaten als een kennelijke opslagplaats zonder medeweten van de verdachte die over de sleutel kon beschikken, is uiterst onwaarschijnlijk. Nu de verdachte aldus toegang had tot de kofferbak met drugs, acht de rechtbank de theoretische mogelijkheid dat verdachtes DNA middels gebruik van de autosleutel door (een) ander(en) op de tape van het blok in een van die boodschappentassen terecht is gekomen te onwaarschijnlijk om als verklaring voor deze DNA-vondst te dienen, wanneer dit mede wordt bezien in samenhang met de overige omstandigheden van het geval.
Hierbij wijst de rechtbank mede op diens gedrag voorafgaand en vlak na zijn aanhouding.
De verdachte heeft verklaard dat hij op 2 november 2021 in de woning van zijn ex-vriendin aan de [adres delict] te Rotterdam naar de wc is geweest, waarna hij uit de geparkeerde Alfa Romeo een gele tas met daarin een boormachine en decoupeerzaag heeft gehaald. De verdachte is vervolgens, met een korte tussenstop bij een spelletjeswinkel bij het Zuidplein, versneld naar de nabijgelegen ABN Amro gereden omdat hij ontdekte dat hij te laat zou komen, alwaar hij de tas met gereedschap vanuit zijn auto heeft overhandigd aan de persoon waarvan hij het gereedschap had geleend. De verdachte heeft niet gezien dat de politie achter hem reed en hem een stopteken gaf. Ook heeft hij niet gezien dat de politieauto achter hem parkeerde toen hij bij de spelletjeswinkel stond. De verdachte heeft de politieauto pas later gezien en gehoord en hij dacht dat deze hem wilde passeren. Hij heeft zijn auto geparkeerd en is vervolgens gecontroleerd en aangehouden door de politie. Toen de politie hem vroeg waar hij vandaan kwam, heeft de verdachte verklaard dat hij van het huis van zijn ex-vriendin kwam. Daarna heeft verdachte weliswaar iets anders tegenover de politie verklaard, maar dit deed hij alleen omdat hij boos was: de politie trok aan zijn boeien en dit deed pijn aan zijn schouder.
De rechtbank acht deze (eerst ter terechtzitting gegeven) verklaring van verdachte ongeloofwaardig, nu de verdachte - tegen alle redelijke schijn in – wil volhouden dat hij stoptekens en ander optreden van de politie niet heeft gemerkt. De gang van zaken lijkt veeleer te passen bij een vluchtscenario en sluit ook aan bij de overige waarnemingen van de politie: de verdachte die schichtig om zich heen keek toen hij de parkeerplaats bij de [adres delict] verliet met de gele boodschappentas en onrustig en onvoorspelbaar was toen zij hem staande hielden. Dit wordt versterkt door de ontwijkende verklaring van de verdachte die, op het moment dat de politie hem vroeg waar hij is geweest, aangaf dat hij direct vanaf zijn eigen huis naar het Zuidplein is gereden. Toen de verdachte werd geconfronteerd met de waarneming dat hij daarvoor op de [adres delict] is geweest, verklaarde hij: ‘Ik ben daar niet geweest. Ik weet niet waar dat is. Dat zullen je collega’s verkeerd gezien hebben’. De rechtbank leidt uit de reeks gedragingen van de verdachte voor zijn aanhouding af dat hij iets te verbergen had en niet wilde dat de politie naar de woning aan de [adres delict] respectievelijk de daar vlakbij geparkeerde Alfa Romeo zou gaan.
Wetenschap drugs en bereidingsmiddelen drugs in schuurtje
De rechtbank overweegt verder dat in het schuurtje van de [adres delict] een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen. Ook zijn in dat schuurtje verschillende andere stoffen aangetroffen, te weten paracetamol, fenacetine, coffeïne en verschillende kleurstoffen. Gelet op de combinatie van de aangetroffen stoffen, de hoeveelheden hiervan en het feit dat ook cocaïne werd aangetroffen, kan het niet anders dan dat deze stoffen bestemd waren voor het bereiden, bewerken en/of verwerken van harddrugs en dat de verdachte dit moet hebben geweten. Het is ongeloofwaardig dat de verdachte dergelijke hoeveelheden stoffen jaren geleden en zonder dat de verdachte hier meer vanaf wist in het schuurtje van de woning van zijn ex-vriendin zou hebben opgeslagen voor een vriend die ging verhuizen en deze nimmer meer op kwam halen.
De rechtbank komt op basis van het voorgaande in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte beschikkingsmacht over, alsmede wetenschap van de in de Alfa Romeo aangetroffen heroïne en van de bestemming van het bereiden, bewerken en/of verwerken van harddrugs van de in de schuur aangetroffen cocaïne, paracetamol, fenacetine, coffeïne en kleurstoffen.
4.1.3.
Conclusie
De rechtbank acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte op 2 november 2021 ook 0,2 gram MDMA aanwezig heeft gehad, zoals eveneens is ten laste gelegd onder 1. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel vrijspreken.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op 2 november 2021 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2655,1 gram van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 6,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 2 november 2021 te Rotterdam om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, van een hoeveelheid cocaïne en/of heroïne en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), voor te bereiden, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, hebbende verdachte
- een hoeveelheid (75.115 gram) paracetamol en een hoeveelheid (436 gram) fenacetine en een hoeveelheid (206,6 gram) coffeïne en een hoeveelheid (1440 gram) kleurstoffen bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne en/of heroïne en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), voorhanden gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5..Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef Pro en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2. een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn strafbaar.

6..Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is strafbaar.

7..Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ruim 2,5 kilogram heroïne en 6,1 gram cocaïne. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verschillende stoffen ter voorbereiding van het versnijden of bewerken van harddrugs en/of de productie van (synthetische) drugs. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid heroïne, moet deze wel bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Ook de aangetroffen hoeveelheid versnijdingsmiddelen wijst op een grootschaliger plan voor de verdere verspreiding van en handel in harddrugs. Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat deze drugs ernstige gezondheidsrisico’s opleveren voor gebruikers en dat de productie daarvan en handel daarin gepaard gaan met diverse andere vormen van ondermijnende criminaliteit, waaronder (zware) geweldsfeiten. Uit zijn handelswijze blijkt dat verdachte zich niet heeft bekommerd om deze maatschappelijke schade. De exacte beweegredenen van verdachte zijn onbekend gebleven. Verdachte lijkt zich te hebben willen onttrekken aan de politie en na zijn aanhouding heeft hij geen openheid van zaken willen geven. Kennelijk was verdachte, naar mag worden aangenomen, enkel uit op eigen financieel gewin. Bij dit soort feiten horen zware straffen.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 december 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage
Reclassering Nederland heeft op 11 januari 2022 een rapport over de verdachte opgemaakt. Omdat de verdachte zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht, heeft de reclassering geen verbanden kunnen leggen tussen de verdenking en de verschillende leefgebieden van de verdachte. De reclassering heeft daarom geen strafadvies gegeven. De rechtbank heeft wel acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze blijken uit dit rapport en ter terechtzitting zijn besproken. Deze persoonlijke omstandigheden hebben – gelet op de ernst van de delicten, die een maatschappelijk ondermijnend karakter hebben – geen invloed op de op te leggen straf.
7.4.
Conclusie
De rechtbank acht, alles afwegende, de hierna te noemen gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal daarvan een gedeelte in voorwaardelijke vorm opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8..In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie en de verdediging hebben geen standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 525,00.
De rechtbank zal ten aanzien van dit in beslag genomen bedrag een last geven tot teruggave aan de verdachte.

9..Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10..Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11..Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden,
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
5 (vijf) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
2 (twee) jaar;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van het goed vermeld op de lijst onder 1, zijnde een geldbedrag van € 525,00.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. F. Wegman en M. Zoethout, rechters,
in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2022.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 2 november 2021 te Rotterdam
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 2655,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne en/of
ongeveer 6,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne en/of
ongeveer 0,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA),
zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDMA,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 10 lid 4 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond B Opiumwet)
2
hij op of omstreeks 2 november 2021 te Rotterdam
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren,
van een hoeveelheid cocaïne en/of heroïne en/of
3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA), in elk geval een of meer middel(len)
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens
artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had
om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde
feit, hebbende verdachte
- een hoeveelheid (75.115 gram) paracetamol en/of een hoeveelheid (436 gram)
fenacetine en/of een hoeveelheid (206,6 gram) coffeine en/of een hoeveelheid (1440
gram) kleurstoffen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken
van cocaïne en/of heroïne en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA)),
voorhanden gehad en/of opgeslagen;
(art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet,
art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet)