Eiser maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn WW-uitkering over de maanden augustus, september en oktober 2021. Hij betoogde dat de door de werkgever opgegeven inkomsten onjuist waren toegerekend aan de maanden september en oktober, terwijl hij feitelijk in augustus en september werkte en in oktober niet. Hierdoor zou hij onterecht een maand minder uitkering ontvangen.
De rechtbank overwoog dat het UWV de inkomsten op juiste wijze heeft verwerkt conform de polisadministratie en het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). De systematiek waarbij het inkomen wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak van vier weken dat in een kalendermaand eindigt, kan soms leiden tot een nadeel, maar dit is geen kennelijk onredelijk resultaat dat een afwijking rechtvaardigt.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op een extra maand uitkering. Tevens wordt het griffierecht niet teruggegeven en worden geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter Flikweert op 7 oktober 2022.