ECLI:NL:RBROT:2022:8240

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 oktober 2022
Publicatiedatum
4 oktober 2022
Zaaknummer
C/10/635056 / HA ZA 22-239
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel I bis-VoArt. 31 CMRArt. 337 lid 2 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid rechtbank Rotterdam inzake expeditieovereenkomst

ICA International Control & Administration B.V. vordert betaling van een bedrag wegens niet-betaalde expeditiediensten met betrekking tot het transport van medische mondmaskers. De tegenpartij voert een bevoegdheidsincident aan en stelt dat de rechtbank onbevoegd is op grond van het CMR-verdrag, omdat ICA als vervoerder zou optreden.

De rechtbank oordeelt dat ICA als expediteur en niet als vervoerder heeft gehandeld, waardoor de CMR niet van toepassing is. De internationale bevoegdheid wordt daarom beoordeeld aan de hand van Brussel I bis-Verordening. Op grond van artikel 7 sub b onderdeel Pro 1, tweede gedachtestreepje, Brussel I bis-Vo is de rechtbank bevoegd omdat de diensten vanuit Rotterdam zijn verstrekt.

Het verzoek tot tussentijds hoger beroep wordt afgewezen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden. De proceskosten worden aan de zijde van ICA vastgesteld en de zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling. De rechtbank wijst het bevoegdheidsverweer af en verklaart zich bevoegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich internationaal bevoegd en wijst het bevoegdheidsverweer af.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/635056 / HA ZA 22-239
Vonnis in incident van 5 oktober 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ICA INTERNATIONAL CONTROL & ADMINISTRATION B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. H.T. Kernkamp te Rotterdam,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[naam gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. B. Niemeijer te Alphen aan den Rijn.
Partijen zullen hierna ICA en [naam gedaagde] genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 6 december 2021, met producties 1 tot en met 7;
  • de incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid;
  • de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdverklaring, met producties 8 en 9.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2..De vordering in de hoofdzaak

2.1.
ICA vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[naam gedaagde] veroordeelt tot betaling aan ICA van € 26.914,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 22 oktober 2021, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
[naam gedaagde] veroordeelt tot betaling aan ICA van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.044,14, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
[naam gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
ICA verzoekt tevens de afgifte van een certificaat als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bisVo).
2.2.
Hieraan legt ICA – samengevat – de volgende stellingen ten grondslag. ICA heeft in juli 2020 in opdracht van [naam gedaagde] expeditiewerkzaamheden verricht met betrekking tot het transport op pallets van medische mondmaskers vanuit Amsterdam en Luik naar Denemarken, maar [naam gedaagde] heeft het gefactureerde bedrag van € 26.914,00 niet betaald. Wat de buitengerechtelijke incassokosten betreft, maakt ICA conform de daarvoor geldende staffel aanspraak op een bedrag van € 1.044,14.

3..Het geschil in het incident

3.1.
[naam gedaagde] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
ICA niet-ontvankelijk verklaart in haar vordering, althans zich onbevoegd verklaart van die vordering kennis te nemen;
verklaart dat, in het geval van afwijzing van het gevorderde onder i, voor [naam gedaagde] tussentijds hoger beroep openstaat van het in dezen te wijzen vonnis;
ICA veroordeelt in de proceskosten en de nakosten in het incident, onder bepaling dat, indien de proceskosten niet binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis zijn betaald, daarover wettelijke rente is verschuldigd.
3.2.
[naam gedaagde] concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten in het incident en met bepaling dat hierover wettelijke rente verschuldigd zal zijn indien [naam gedaagde] niet binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan deze kostenveroordeling heeft voldaan, een en ander voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling nader ingegaan, voor zover zij daarvoor relevant zijn.

4..De beoordeling in het incident

Inleiding

4.1.
Het geschil in dit incident betreft de vraag of deze rechtbank internationaal bevoegd is kennis te nemen van de vordering van tegen ICA tegen [naam gedaagde]. Anders dan [naam gedaagde] lijkt te menen, speelt ontvankelijkheid van de eisende partij in de hoofdzaak, in dit geval dus ICA, geen rol in een bevoegdheidsincident.
4.2.
De Brussel I bisVo is zowel materieel, temporeel als formeel van toepassing. Of deze rechtbank internationaal bevoegd is, dient zij daarom in beginsel te beoordelen aan de hand van de bevoegdheidsregels van de Brussel I bis-Vo. Uit artikel 71 Brussel Pro I bis-Vo volgt dat in zaken waarin niet alleen voldaan is aan de toepasselijkheidsvereisten van Brussel I bis-Vo maar ook aan die van de CMR, de bevoegdheidsregeling van de CMR voorrang heeft op die van Brussel I bis-Vo.
(On)bevoegdheid op basis van de CMR
4.3.
Volgens [naam gedaagde] heeft ICA als wegvervoerder met haar gecontracteerd en wordt de tussen hen gesloten wegvervoerovereenkomst beheerst door het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR). Het vervoer door ICA van de maskers uit China naar Denemarken heeft altijd plaatsgevonden aan de hand van een CMR-vrachtbrief. Er zijn vele verschillende ladingen door ICA ingeklaard en vervolgens vervoerd, waarin elke zending afkomstig uit China in Amsterdam of Luik werd geladen. De internationale bevoegdheid van deze rechtbank moet daarom volgen uit de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR Pro. Aangezien deze rechtbank aan die regeling geen bevoegdheid kan ontlenen, is zij onbevoegd.
4.4.
De rechtbank verwerpt dit betoog van [naam gedaagde]. Al in de dagvaarding heeft ICA gesteld als expediteur – en dus niet als vervoerder – te hebben opgetreden. Het had daarom op de weg gelegen van [naam gedaagde] om haar stelling dat ICA de vervoerder was, te onderbouwen. De vrachtbrieven waarop [naam gedaagde] zich beroept, zijn niet in het geding gebracht, zodat niet kan worden beoordeeld of ICA daarop als vervoerder is vermeld. Voor de beoordeling van dit incident geldt ICA dus als expediteur. De CMR is dus niet van toepassing op rechtsverhouding tussen ICA en [naam gedaagde].
(On)bevoegdheid op basis van de Brussel I bisVo
4.5.
Omdat de CMR niet van toepassing is in dit incident, moet de internationale bevoegdheid van deze rechtbank beoordeeld worden aan de hand van de bevoegdheidsregels van Brussel I bis-Vo.
4.6.
ICA heeft al in de dagvaarding gesteld dat Rotterdam de plaats is waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden en dat deze rechtbank (ook) om die reden bevoegd is. Kennelijk doelt ICA op artikel 7, aanhef en onder 1, onder b), tweede gedachtestreepje, Brussel I bis-Vo.
4.7.
Uit hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3 volgt dat ICA niet als vervoerder, maar als expediteur met [naam gedaagde] heeft gecontracteerd. De werkzaamheden van een expediteur zijn diensten in de zin van het bepaalde achter het tweede gedachtestreepje van sub b van onderdeel 1 van artikel 7 Brussel Pro I bis-Vo. Die werkzaamheden betreffen niet het vervoeren van goederen, maar het
doenvervoeren van goederen. Dat geschiedt door het geven van opdrachten, al dan niet op eigen naam, aan een vervoerder. Het geven van opdrachten is dus de dienst die wordt verstrekt en die dienst wordt verstrekt op de plaats waar de expediteur kantoor houdt, niet op de plaats waar de gecontracteerde vervoerder goederen ophaalt of aflevert. Dat ICA in Rotterdam gevestigd is en vanuit die plaats opereert, is door [naam gedaagde] niet betwist. De diensten zijn dus verstrekt vanuit Rotterdam.
4.8.
Aangezien deze rechtbank internationaal bevoegd is op grond van (het bepaalde achter het tweede gedachtestreepje van sub b van) onderdeel 1 van artikel 7 Brussel Pro I bis-Vo, kan in het midden blijven of deze rechtbank, zoals ICA stelt en [naam gedaagde] betwist, ook bevoegd is op grond van het forumkeuzebeding in de Fenex-condities. Immers, de Fenex-condities wijzen geen andere bevoegde rechter aan dan deze rechtbank.
4.9.
De incidentele vordering van [naam gedaagde] zal derhalve worden afgewezen.
Tussentijds hoger beroep?
4.10.
Aangezien het bevoegdsheidsverweer van [naam gedaagde] faalt, is voldaan aan de voorwaarde waaronder [naam gedaagde] haar verzoek heeft ingediend om tussentijds hoger beroep open te stellen.
4.11.
Bij de beoordeling van het verzoek van [naam gedaagde] moet worden voorop gesteld dat dit verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van voornoemde bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds hoger beroep terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv Pro neergelegde hoofdregel doelmatiger is. [naam gedaagde] heeft echter geen bijzondere omstandigheden genoemd op grond waarvan afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd is. Dat een oordeel over de bevoegdheid doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak, is geen grond die de rechtbank aanleiding geeft af te wijken van de in artikel 337 lid 2 Rv Pro neergelegde hoofdregel, zodat het verzoek tot tussentijds hoger beroep ex artikel 337 lid 2 Rv Pro zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.12.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [naam gedaagde] in de proceskosten in het incident veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van ICA tot aan deze uitspraak begroot op € 563,00 aan salaris advocaat (1 punt in liquidatietarief II).
4.13.
Tegen de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze zullen worden toegewezen.

5..De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst de vordering van [naam gedaagde] af;
5.2.
veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten in het incident, die worden begroot op € 563,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte of gevorderde;
in de hoofdzaak
5.5.
verwijst de zaak naar de rol van
16 november 2022voor het nemen van een conclusie van antwoord door [naam gedaagde];
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter en door deze in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2022.
901/1407