Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om twee schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorziet in een betaling van 34,8% van de totale schuldenlast, gebaseerd op de voortzetting van een ziektewet-uitkering. Veertien van de zestien schuldeisers stemden in, twee weigerden. De rechtbank beoordeelde of deze weigering redelijk was, rekening houdend met de belangen van verzoeker en de overige schuldeisers.
De rechtbank stelde vast dat de regeling goed gedocumenteerd was en dat verzoeker gemotiveerd is om binnen drie jaar weer te gaan werken ondanks zijn reuma en slaapapneu. Schuldhulpverlening bevestigde de haalbaarheid en controleert jaarlijks de inspanningen van verzoeker. De rechtbank vond dat het akkoord het uiterste was wat redelijkerwijs van verzoeker kon worden verlangd en dat de belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan die van de weigeraars.
De rechtbank wees het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af omdat het prognoseakkoord een gunstiger resultaat voor schuldeisers oplevert. Maashave Vastgoedbeheer en ASR werden veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden begroot. Het vonnis trad in de plaats van vrijwillige instemming, waardoor verzoeker zijn betalingen kan voortzetten.