Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw S. van Rijn, werkzaam bij Van Rijn Bewind (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om ING te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling. De regeling voorziet in een betaling van 31,74% aan preferente en 15,87% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op haar afloscapaciteit uit een parttime dienstverband met uitzicht op uitbreiding van uren. Veertien schuldeisers stemden in, ING was de enige tegenstander.
ING stelde dat verzoekster niet aan haar inspanningsverplichting voldeed, maar verscheen niet ter zitting. De rechtbank stelde vast dat verzoekster actief solliciteert en onder beschermingsbewind staat, waardoor nieuwe schulden worden voorkomen. Tevens is er een waarborg dat eventuele compensatie uit de kinderopvangtoeslag-affaire aan schuldeisers zal worden doorgegeven.
De rechtbank oordeelde dat het voorstel het uiterste is wat van verzoekster verwacht kan worden en dat het belang van de meerderheid van schuldeisers en verzoekster zwaarder weegt dan dat van ING. Het verzoek tot dwangakkoord werd toegewezen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord tegen ING wordt toegewezen en ING wordt veroordeeld in de proceskosten.