Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:8444

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 augustus 2022
Publicatiedatum
12 oktober 2022
Zaaknummer
FT EA 22/486 en FT EA 22/489
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord en saneringskrediet ondanks weigering schuldeiser

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar dertien schuldeisers, bestaande uit een preferente en twaalf concurrente schuldeisers, met een totaalbedrag van €94.498,81. De regeling voorziet in een betaling van 3,09% aan preferente en 1,55% aan concurrente schuldeisers, gefinancierd door een saneringskrediet. Twaalf schuldeisers gingen akkoord, maar Nationale Nederlanden (NN) weigerde vanwege een fraudegerelateerde vordering van €6.224,07.

De rechtbank overweegt dat NN in beginsel vrij is om volledige betaling te eisen, maar dat de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder wegen gezien het geringe aandeel van NN in de totale schuld (6,6%) en de instemming van de meerderheid. De regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en goed onderbouwd. Verzoekster is langdurig vrijgesteld van inspanningsverplichtingen vanwege gezondheidsklachten en ontvangt ondersteuning.

De rechtbank concludeert dat verzoekster geen reëel vooruitzicht heeft op inkomensverbetering en dat het dwangakkoord een gunstiger resultaat biedt dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, die hogere kosten en latere uitkering inhoudt. Daarom beveelt de rechtbank NN om in te stemmen met de regeling, veroordeelt haar in de proceskosten en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de schuldeiser NN om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 3 augustus 2022
in de zaak van:
[naam verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 1 juni 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Nationale Nederlanden, vertegenwoordigd door VDSH Incasso & Gerechtsdeurwaarders (hierna: NN);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Schuldhulpverlening heeft de rechtbank op 7, 12 en 15 juli 2022 aanvullende stukken doen toekomen.
Ter zitting van 28 juli 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift dertien schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser met één vordering en twaalf concurrente schuldeisers met veertien vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 94.498,81 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 23 maart 2022 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,09% aan de preferente schuldeisers en 1,55% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster is door de uitkeringsinstantie vrijgesteld van de inspanningsplicht tot en met 31 december 2022. Ter zitting is door schuldhulpverlening verklaard dat verzoekster al drie jaar ontheven wordt van de inspanningsverplichting. Verzoekster is momenteel ook niet verplicht om een tegenprestatie in de vorm van vrijwilligerswerk te leveren. Verzoekster woont in een woning van stichting De Ontmoeting en krijgt daar hulp op diverse leefgebieden. De verwachting is niet dat verzoeker binnen drie jaar een baan zal vinden waarbij haar afloscapaciteit vergroot zal worden. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Twaalf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. NN stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 6.224,07 op verzoekster, welke 6,6% van de totale schuldenlast beloopt.

3..Het verweer

In haar contacten met schuldhulpverlening heeft NN te kennen gegeven dat zij niet akkoord gaat met de aangeboden regeling omdat het een fraudevordering betreft. Daarnaast wordt door schuldhulpverlening geen onderbouwing gegeven waarom gekozen wordt voor een saneringskrediet in plaats van een prognose akkoord. Verzoekster heeft weliswaar een vrijstelling tot en met december 2022, maar zij kan na die tijd gewoon weer aan het werk. De kans dat haar inkomen en afloscapaciteit toeneemt is dan ook zeker aanwezig en deze mogelijkheid wordt door het voorstel op basis van een saneringskrediet niet onderkend.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft NN geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van NN bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of NN in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van NN een gering aandeel vormt in de totale schuldenlast van 6,6%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk twaalf van de dertien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster is vrijgesteld van de inspanningsverplichting tot en met 31 december 2022. Verzoekster wordt sinds drie jaar jaarlijks vrijgesteld van de inspanningsverplichting op grond van lichamelijke en psychische klachten. Verzoekster is tevens ontheven van de verplichting om een tegenprestatie te leveren in de vorm van vrijwilligerswerk. Daarnaast ontvangt verzoekster hulp van stichting De Ontmoeting. Voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van NN, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om NN te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
NN zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt NN om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt NN in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2022. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.