ECLI:NL:RBROT:2022:8462

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 september 2022
Publicatiedatum
13 oktober 2022
Zaaknummer
ROT 22/2300
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d Awbparagraaf 4.1.3.2 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kinderopvangtoeslag

Eiseres diende op 12 mei 2021 bezwaar in tegen het besluit van 31 maart 2021 tot afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag over 2010. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, ondanks ingebrekestelling op 28 maart 2022 en een beroep op de rechtbank op 13 mei 2022. De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het beroep gericht op het niet verstrekken van het volledige dossier, omdat dit geen besluit in de zin van de Awb betreft.

De rechtbank erkent dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder een dwangsom is verschuldigd. Omdat verweerder nog geen dwangsombeschikking heeft afgegeven, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom zelf vast op het maximale bedrag van €1.442,-. Tevens wordt verweerder opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar.

Verweerder had om een langere termijn van 13 weken verzocht, maar de rechtbank wijst dit af omdat reeds meer dan drie maanden na het verweerschrift zijn verstreken. Voor elke dag dat verweerder de termijn van twee weken overschrijdt, moet hij een dwangsom van €100,- betalen, met een maximum van €15.000,-. Daarnaast moet verweerder het betaalde griffierecht van €50,- en de proceskosten van €379,50 aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: Verweerder moet binnen twee weken alsnog beslissen op het bezwaar en een dwangsom betalen wegens overschrijding van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/2300

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2022 als bedoeld in

artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr. M. Burghout).

Procesverloop

Eiseres heeft op 12 mei 2021 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 31 maart 2021 tot het afwijzen van compensatie kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2010. In haar bezwaarschrift heeft eiseres verweerder gevraagd om haar de onderliggende stukken te doen toekomen.
Bij brief van 28 maart 2022 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld.
Op 13 mei 2022 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar, waarbij eiseres de rechtbank heeft verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen en verweerder op te dragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een beslissing te nemen.
Verweerder heeft op 30 mei 2022 een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft op 23 juni 2022 een reactie ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
2. Bij besluit van 31 maart 2021 heeft verweerder compensatie voor het toeslagjaar 2010 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3. Over de vordering van eiseres om haar dossier te overleggen, kan de rechtbank zich niet uitlaten, omdat dit een feitelijke handeling is en geen besluit in de zin van de Awb. Het niet tijdig verstrekken van een volledig dossier is daarmee evenmin als het niet tijdig nemen van een besluit aan te merken. De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen voor zover dit beroep is gericht op het niet (tijdig) verstrekken van het volledige dossier aan eiseres.
Bestuurlijke dwangsom
4. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft verweerder op 28 maart 2022 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Daarbij heeft eiseres vermeld dat indien niet tijdig een beslissing volgt, zij aanspraak maakt op een dwangsom.
5. Verweerder erkent (in beroep) dat de dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb in deze zaak van toepassing is en een dwangsom is verbeurd, waarbij de rechtbank zich aansluit. Omdat verweerder nog geen dwangsombeschikking heeft afgegeven, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de dwangsom zelf vaststellen.
6. Verweerder heeft tot op heden niet op het verzoek beslist. Verweerder is daarom een dwangsom verschuldigd, te rekenen vanaf twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling. Omdat er nog altijd geen besluit is, stelt de rechtbank vast dat verweerder de maximale dwangsom van € 1.442,- heeft verbeurd.
Rechterlijke dwangsom
7. Omdat verweerder nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Verweerder heeft op grond van het derde lid van artikel 8:55d, van de Awb gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk 13 weken.
8. De rechtbank is van oordeel dat een termijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden om van de standaardtermijn van twee weken af te wijken. In algemene zin geldt dat dat verweerder een veel groter aantal aanvragen voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan was voorzien. Dat geldt ook voor het aantal bezwaren. Deze aanvragen en bezwaarschriften moeten allemaal zeer zorgvuldig worden beoordeeld. Dit heeft tot gevolg gehad dat het bezwaar nog niet is afgehandeld.
In dit geval ziet de rechtbank desondanks geen aanleiding om op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb af te wijken van de standaardtermijn van twee weken. De rechtbank vindt daarbij doorslaggevend dat na het indienen van het verweerschrift op 30 mei 2022 tot aan de datum van deze uitspraak meer dan drie maanden zijn verstreken. De termijn van 13 weken die verweerder heeft gevraagd om alsnog op het bezwaar te beslissen, is sinds het moment van indienen van het verweerschrift al verstreken. Verweerder was er zich op dat moment van bewust dat hij de beslistermijn had overschreden en had de procedure zoals omschreven in het verweerschrift toen al kunnen starten. Hij heeft daarmee niet hoeven wachten op deze uitspraak.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de termijn twee weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
10. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759, en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat hij alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen het niet verstrekken door
verweerder van het volledige dossier aan eiseres;
- verklaart het beroep voor het overige gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze
uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Feijtel, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 14 september 2022.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.