ECLI:NL:RBROT:2022:8518
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering machtiging ontruiming woning wegens prevalerend huisrecht bewoners
De officier van justitie vorderde op 6 september 2022 een machtiging voor ontruiming van personen en goederen uit twee woningen binnen één gebouw, gelegen aan twee adressen. De rechter-commissaris heeft dit verzoek alleen beoordeeld voor één van de woningen, te weten het eerste adres.
Uit het dossier bleek dat het belang van de rechthebbende, de RET, onvoldoende was onderbouwd. De RET zou het terrein binnen afzienbare tijd verlaten, en concrete plannen voor gebruik van het pand door de RET, de gemeente Rotterdam of het Havenbedrijf ontbraken. Het Openbaar Ministerie had geen aanvullend onderzoek gedaan naar deze belangen.
De bewoners van de woning verblijven er sinds juli 2021, gebruiken de woning als woonruimte en betalen zelf de nutsvoorzieningen. Zij gaven aan graag een huurcontract te willen aangaan omdat het pand niet in gebruik is door de rechthebbende en dat ook niet binnen afzienbare tijd zal zijn.
De rechter-commissaris weegt het huisrecht van de bewoners zwaarder dan het belang van de rechthebbende bij ontruiming, mede omdat het strafbare feit van kraken niet voldoende is om het belang van ontruiming te rechtvaardigen. Daarom werd de vordering afgewezen.
Tegen deze beslissing kan het Openbaar Ministerie binnen 14 dagen hoger beroep instellen.
Uitkomst: De vordering tot machtiging ontruiming van de woning is afgewezen omdat het huisrecht van de bewoners zwaarder weegt dan het belang van de rechthebbende.