Eiseres diende op 26 juli 2021 een bezwaarschrift in tegen een besluit van 17 juni 2021 waarin een compensatiebedrag was toegekend. Na het uitblijven van een beslissing op bezwaar stelde eiseres verweerder op 2 juni 2022 schriftelijk in gebreke en startte zij op 27 juni 2022 een beroep bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen.
Verweerder betwistte de ontvankelijkheid van het beroep omdat de ingebrekestelling niet per post was ontvangen en de digitale verzending via file transfer niet conform de regels was. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de ingebrekestelling per post was verzonden en dat de digitale verzending niet rechtsgeldig was omdat de Belastingdienst geen ingebrekestellingen via e-mail accepteert.
Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast verklaarde de rechtbank zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking had op het niet verstrekken van het volledige dossier, omdat dit een feitelijke handeling betreft en geen besluit in de zin van de Awb. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.