Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om een dwangakkoord op te leggen aan een schuldeiser die niet instemde met haar schuldregeling. De regeling was gebaseerd op een prognoseakkoord met een afloscapaciteit uit hoofde van een Participatiewet-uitkering. Negentien schuldeisers stemden in, één schuldeiser weigerde.
De rechtbank oordeelde dat het voorstel niet goed en betrouwbaar was gedocumenteerd. Zo was niet duidelijk waarom verzoekster een auto mocht behouden zonder dat de waarde daarvan werd ingebracht, en was de financiering van de schuldhulpverlening onduidelijk. Daarnaast was sprake van verwijtbaar handelen door verzoekster door emigratie en het uit handen geven van haar bankrekening.
Verder ontbraken voldoende waarborgen zoals budgetbeheer of beschermingsbewind om de naleving van de regeling te controleren. De rechtbank concludeerde dat het voorstel niet het maximaal haalbare was en dat het belang van de weigerende schuldeiser zwaarder woog dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers. Het verzoek tot dwangakkoord werd daarom afgewezen.