Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, die weigert mee te werken aan een aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze regeling. De schuldregeling voorziet in een uitkering van 8,71% aan preferente en 4,35% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker die een WIA-uitkering ontvangt en voor 55-65% arbeidsongeschikt is verklaard.
Tien van de elf schuldeisers stemden in met de regeling, maar één schuldeiser, de ex-partner van verzoeker, weigerde. Deze schuldeiser betoogde dat het aangeboden bedrag te laag is en verwees naar een duur telefoon- en televisieabonnement van verzoeker. De rechtbank oordeelde dat het voorstel door een onafhankelijke partij was getoetst, goed gedocumenteerd was en het maximaal haalbare vertegenwoordigt gezien de financiële situatie van verzoeker.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft omdat zijn inkomen lager is dan het vrij te laten bedrag volgens NVVK-normen. Ook werd overwogen dat de schuldsaneringsregeling minder gunstig zou zijn voor schuldeisers vanwege bijkomende kosten en latere uitkering. Het eerdere schuldregelingstraject dat vroegtijdig werd beëindigd, stond niet in de weg voor toewijzing. De belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers wogen zwaarder dan die van de weigeraar. Daarom werd het dwangakkoord toegewezen en het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen.