ECLI:NL:RBROT:2022:8678

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 september 2022
Publicatiedatum
20 oktober 2022
Zaaknummer
10/274642-20
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor verboden wapenbezit en voorhanden hebben MDMA met redelijke termijn overschrijding

De rechtbank Rotterdam heeft op 29 september 2022 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte die werd verdacht van verboden wapenbezit en het voorhanden hebben van MDMA. De feiten betreffen het bezit van een vuurwapen en munitie in december 2019, evenals ongeveer 25,8 gram MDMA.

De verdachte heeft bekend aan het bezit van het vuurwapen en de munitie, evenals het aanwezig hebben van de drugs. De rechtbank heeft op basis van wettige bewijsmiddelen en de bekentenis van de verdachte deze feiten bewezen verklaard en het overige ten laste gelegde niet bewezen verklaard. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsluiten.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van vuurwapenbezit en harddrugs, en het feit dat de verdachte geen openheid gaf over de herkomst van het wapen. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere soortgelijke veroordelingen, zijn meegewogen.

De redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden met ruim een half jaar, aangezien de redelijke termijn twee jaar bedraagt en de zaak meer dan 2,5 jaar duurde vanaf de aanhouding. Deze overschrijding is niet aan de verdachte toe te rekenen en is verdisconteerd in de straf. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf voor verboden wapenbezit en het voorhanden hebben van MDMA met inachtneming van redelijke termijn overschrijding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/274642-20
Datum uitspraak: 29 september 2022
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] ,
raadsman mr. J.J. Mul, advocaat te Amsterdam.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 september 2022.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.S.S. Heinerman heeft gevorderd:
  • partiële vrijspraak voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde, voor zover het ziet op het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en munitie en het aanwezig hebben van verdovende middelen;
  • bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, te weten het voorhanden hebben van een wapen en munitie en het aanwezig hebben van verdovende middelen;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

4..Waardering van het bewijs

4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard, met partiële vrijspraak voor het ten laste gelegde medeplegen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij in de periode 3 december 2019 tot en met 4 december 2019 te Rotterdam
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro III, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Steyr Mannlicher Arms, model 9, kaliber 9mm x 19, en munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro die wet, van de Categorie III, te weten 12 kogelpatronen, kaliber 9mm x 19 voorhanden heeft gehad;
2
hij op 4 december 2019 te Rotterdam
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5..Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
1.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
2.
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6..Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7..Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
In de woning van de verdachte is in een jas een vuurwapen en bijbehorende munitie aangetroffen. Hij heeft verklaard dat hij het wapen en de munitie nog maar kort in huis had en moest bewaren voor een ander, maar hij wilde verder geen openheid geven over die persoon of de reden daarachter.
Met vuurwapens worden zeer ernstige delicten gepleegd. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens met name in de grote steden begint een steeds groter probleem te worden. Niet zelden leidt het bezit van een vuurwapen tot het daadwerkelijk gebruik daarvan. Het aantal schietincidenten met soms dodelijke afloop neemt nog steeds toe. Reden waarom tegen het bezit van vuurwapens hard behoort te worden opgetreden. De rechtbank weegt ten nadele van de verdachte mee dat hij geen openheid heeft gegeven over de toedracht.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voor handen hebben van MDMA. Het gebruik van harddrugs werkt verslavend en is zeer schadelijk voor de gezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat drugsgebruik leidt tot (vermogens)criminaliteit en aanzienlijke maatschappelijke schade. Bovendien zorgt de met drugsgebruik samenhangende criminaliteit voor gevoelens van onrust in de samenleving.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte van 9 september 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Bij de berechting van een zaak waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Op 4 december 2019 is de woning van de verdachte doorzocht en is hij aangehouden door de politie. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.
Tussen 4 december 2019 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim 2,5 jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaren, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, zal de rechtbank dit verdisconteren in de op te leggen gevangenisstraf.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8..Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 57 van Pro het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9..Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10..Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. G.P. van de Beek en A.M.J. van Buchem-Spapens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Wuijckhuijse, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks de periode 3 december 2019 tot en met 4 december 2019 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro III, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk Steyr Mannlicher Arms, model 9, kaliber 9mm x 19, en/of munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro die wet, van de Categorie III, te weten 12 kogelpatronen, kaliber 9mm x 19 voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 4 december 2019 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.