Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
beschikking
de Raad voor de Kinderbescherming,
[naam minderjarige01] ,
[naam moeder01] ,
Het procesverloop
De feiten
Het verzoek
Het standpunt van belanghebbenden
De beoordeling
De beslissing
Den Haag.
Rechtbank Rotterdam
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige voor twaalf maanden vanwege een onrustige en instabiele opvoedsituatie. De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent, maar accepteert haar gezag nauwelijks en gaat heen en weer tussen de moeder en de oma. De Raad stelde dat bestaande patronen doorbroken moeten worden en dat de gecertificeerde instelling hierin een stevige regie moet voeren.
De gecertificeerde instelling gaf aan dat ondertoezichtstelling moeilijk uitvoerbaar is en adviseerde plaatsing in een neutrale setting, wat door de Raad werd afgewezen. De moeder voerde verweer en benadrukte dat zij ondanks haar gezondheid alles doet om de minderjarige in een fijne omgeving op te voeden en dat hulpverlening binnen het vrijwillige kader wordt geaccepteerd. Zij ziet geen meerwaarde in ondertoezichtstelling en pleitte voor intensieve gezinstherapie.
De kinderrechter constateerde dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie en de relatie tussen moeder en oma, die leidt tot het ontlopen van gezag door de minderjarige. Echter, de minderjarige functioneert goed op school en in de sport, en de moeder werkt mee binnen het vrijwillige kader. De hulpverlening in het gedwongen kader heeft de problematiek niet kunnen oplossen. Daarom is de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk en wordt het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende ernstige ontwikkelingsbedreiging.