De rechtbank Rotterdam behandelde op 6 september 2022 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar kind, dat sinds 2018 onder toezicht staat en in een pleeggezin verblijft. De moeder oefende het gezag uit, maar het kind verbleef al ruim vier jaar bij pleegouders vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie thuis.
De Raad verzocht de voogdij toe te wijzen aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, die ook bereid was deze taak te aanvaarden. De moeder erkende de situatie en het belang van het pleeggezin, hoewel zij de voorkeur gaf aan terugplaatsing. De vader was tegen het verzoek.
De rechtbank oordeelde dat het kind in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd indien zij terugkeert naar de moeder, die onvoldoende heeft geprofiteerd van hulpverlening. Het kind is gehecht aan het pleeggezin en ontwikkelt zich daar goed. Daarom werd het gezag van de moeder beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd. De moeder werd veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van het kind.