AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontbinding huurovereenkomst en vernietiging uitspraak huurcommissie betwist
In deze zaak vordert eiser de ontbinding van een huurovereenkomst omdat gedaagde de woning onderverhuurt, wat volgens eiser in strijd is met artikel 7:244 BWPro. Tevens wordt gevorderd de vernietiging van een uitspraak van de huurcommissie die de huurprijs heeft vastgesteld. Eiser stelt dat de huurcommissie onjuist heeft geoordeeld over de huurprijs en de splitsing daarvan. Gedaagde betwist de vorderingen en voert aan dat onderverhuur vooraf schriftelijk is toegestaan en dat er geen verplichting is om de woning als hoofdverblijf te gebruiken. Ook stelt gedaagde dat de uitspraak van de huurcommissie bindend is, tenzij tijdig bezwaar wordt gemaakt, wat volgens hem niet het geval is.
Daarnaast is er een incident waarin eiser inzage in de energierekeningen van de woning verlangt om te kunnen beoordelen of sprake is van een all-in huur. Gedaagde betwist dit en stelt dat de energierekeningen niet relevant zijn en dat eiser geen partij is in de relatie tussen gedaagde en de energieleverancier.
De kantonrechter acht het wenselijk om zowel de hoofdzaak als het incident gelijktijdig te behandelen en gelast een mondelinge behandeling waarbij partijen stukken kunnen inbrengen en een minnelijke regeling kan worden beproefd. Partijen worden verzocht hun beschikbaarheid door te geven en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De kantonrechter houdt verdere beslissing aan en gelast een mondelinge behandeling.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 9872206 CV EXPL 22-14702
datum uitspraak: 23 september 2022
vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. J.C.J. Smallenbroek,
tegen
[gedaagde01] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats01] ,
gedaagde in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. A.M. Roepel.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
1.De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 20 april 2022 tevens houdende eis in het incident, met bijlagen;
de conclusie van antwoord tevens antwoord in het incident, met bijlagen.
2.Het geschil
in de hoofdzaak
2.1.
[eiser01] eist samengevat te bepalen:
I. dat de huurovereenkomst wordt ontbonden;
II. dat de uitspraak van 23 februari 2022 van de huurcommissie wordt vernietigd;
III. dat [gedaagde01] € 796,05 per maand aan huur is verschuldigd te verminderen met hetgeen [gedaagde01] per maand heeft voldaan aan [eiser01] vanaf de dag dat [gedaagde01] nog slechts betaalt hetgeen de huurcommissie heeft bepaald, met rente;
IV. dat [gedaagde01] in de proceskosten en nakosten met rente wordt veroordeeld;
V. dat de eis onder II, III en IV uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
2.2.
[eiser01] baseert de eis samengevat op het volgende.
[gedaagde01] huurt van [eiser01] de woning aan de [adres01] te Schiedam . De woning is op de website van [gedaagde01] aangeboden voor € 1.231,85 per maand aan huur exclusief gas, elektriciteit en water. Vanaf de lente van 2021 wordt de woning door [gedaagde01] verhuurd aan een onderhuurder. Dat niemand van [gedaagde01] zelf in de woning woont, is in strijd met artikel 7:244 BWPro. De huurovereenkomst moet daarom worden ontbonden.
[gedaagde01] heeft een verzoek tot splitsing van all-in huur ingediend bij de huurcommissie. De huurcommissie heeft bepaald dat er een all-in huur is en de huurprijs gesplitst. Dat is echter niet juist, want [eiser01] vraagt geen vergoeding voor de gordijnen, de trapbekleding en het laminaat in de woning. De huurcommissie heeft daarnaast onterecht geen acht geslagen op de uitkomst van de huurpuntencheck en onterecht en ongemotiveerd een voorschot voor services berekend. De uitspraak van de huurcommissie moet daarom worden vernietigd.
[eiser01] verwacht dat [gedaagde01] tijdens deze procedure zal overgaan tot betaling van de door de huurcommissie vastgestelde (lagere) bedragen en eist daarom betaling van de huidige huur ten bedrage van € 796,05 per maand.
2.3.
[gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert samengevat het volgende aan.
Het was bij het aangaan van de huurovereenkomst duidelijk voor [eiser01] dat [gedaagde01] de woning zou gaan onderverhuren. [eiser01] heeft dit ook expliciet schriftelijk toegestaan en in een eerdere procedure erkend. Daarnaast is er geen wettelijke of contractuele verplichting voor [gedaagde01] om in de woning hoofdverblijf te houden. Er is daarom geen grond om de huurovereenkomst te ontbinden. Die eis moet worden afgewezen.
Op basis van artikel 7:262 BWPro worden partijen geacht te zijn overeengekomen wat de huurcommissie in de uitspraak heeft vastgesteld, tenzij een van de partijen zich tijdig tot de kantonrechter wendt. Op het moment dat dit laatste gebeurt, vervalt de gebondenheid aan de uitspraak van de huurcommissie en kan geen vernietiging van die uitspraak worden geëist. [eiser01] moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn eis onder II.
De eis onder III is voorwaardelijk ingesteld, maar de voorwaarde is niet ingetreden, omdat [gedaagde01] niet de huurprijs is gaan betalen die de huurcommissie heeft vastgesteld. De eis moet daarom worden afgewezen.
in het incident
2.4.
[eiser01] eist dat [gedaagde01] wordt veroordeeld de afrekeningen (inclusief toelichting van de energiemaatschappij) ter zake energielevering in de woning aan de [adres01] te Schiedam over de periode 2019 tot en met 2022 te overleggen.
2.5.
[eiser01] baseert die eis op artikel 843a Rv. Om een volledig beeld te krijgen van de rechtsverhouding tussen [eiser01] en [gedaagde01] heeft [eiser01] belang bij inzage in de afrekeningen van energielevering. Een kenmerk van all-in huur is namelijk dat de verhuurder zorg draagt voor de energielevering en de kosten daarvoor doorberekent aan de huurder. Als [gedaagde01] als huurder zelf zorgdraagt voor de energielevering, kan er geen sprake zijn van all-in huur in de rechtsverhouding tussen [eiser01] en [gedaagde01] .
2.6.
[gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert samengevat het volgende aan.
Ook als de verhuurder geen zorg draagt voor de energielevering in de woning, maar de woning wel verhuurt met meubilair, vloerbedekking en stoffering zonder de kosten hiervoor uit te splitsen in de totale huurprijs, is er sprake van all-in huur. De afrekeningen van energielevering zijn daarom niet relevant voor de onderbouwing van de eis van [eiser01] in de hoofdzaak. Daarnaast is het zo dat [eiser01] geen partij is in de rechtsverhouding tussen [gedaagde01] en een eventuele energieleverancier en dat (ook) daarom niet is voldaan aan de vereisten voor een beroep op artikel 843a Rv. Subsidiair geldt dat de gevraagde stukken niet relevant zijn en dat een goede rechtsbedeling ook is gewaarborgd zonder dat [eiser01] kennisneemt van die stukken.
3.De beoordeling
in het incident en in de hoofdzaak
3.1.
De kantonrechter acht het gewenst om zowel de hoofdzaak als het incident met partijen te bespreken. Daartoe wordt een mondelinge behandeling gelast. Daarbij kunnen partijen de nodige informatie verstrekken. De mondelinge behandeling zal ook worden benut voor het beproeven van een minnelijke regeling.
3.2.
Alle stukken die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, moeten door de partij die deze tijdens de mondelinge behandeling ter sprake wil brengen uiterlijk een week voor de zittingsdatumaan de kantonrechter en aan de wederpartij worden toegezonden.
3.3.
De zaak wordt verwezen naar woensdag 5 oktober 2022 om partijen de gelegenheid te bieden hun verhinderdata voor de maanden oktober tot en met december 2022 schriftelijk op te geven, zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij het vaststellen van een datum en tijd voor de mondelinge behandeling. De kantonrechter zal vervolgens op de beraadrol van maandag 10 oktober 2022 een datum en tijdstip voor de mondelinge behandeling bepalen, waarna deze per brief aan partijen worden medegedeeld. Uitstel is niet mogelijk, tenzij beide partijen daar gezamenlijk om verzoeken.
3.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4.De beslissing
De kantonrechter:
in het incident en in de hoofdzaak
4.1.
bepaalt dat partijen (in persoon of behoorlijk vertegenwoordigd en desgewenst met hun gemachtigde) op een nader te bepalen datum en tijd moeten verschijnen in het Gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 in Rotterdam , tijdens de mondelinge behandeling van de hierna genoemde kantonrechter;
4.2.
wijst partijen op hetgeen hiervoor over het in het geding brengen van (nadere) stukken is bepaald;
4.3.
stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk op woensdag 5 oktober 2022hun verhinderdata voor de maanden oktober tot en met december 2022 schriftelijk op te geven;
4.4.
bepaalt dat de schriftelijke opgaaf uiterlijk op de vermelde dag om 12:00 uur op de griffie moet zijn ontvangen;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.