Verzoeker was vanaf april 2022 werkzaam als groenvoorziener op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Hij had overleg gevoerd over onbetaald verlof en leverde de bedrijfsauto in na verzoek van zijn leidinggevende. Op 28 juni 2022 werd hij ontslagen op staande voet wegens vermeend ongeoorloofd verzuim, omdat hij zonder toestemming vakantie zou hebben opgenomen.
Verzoeker betwistte het ontslag en vorderde onder meer een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Verweerster stelde zich op het standpunt dat zij niet de werkgever was, maar een andere onderneming. De kantonrechter oordeelde echter dat verweerster ook onder de handelsnaam van die onderneming opereerde en dus als werkgever moest worden aangemerkt.
Omdat verweerster geen inhoudelijk verweer voerde tegen het niet-rechtsgeldige ontslag, werd aangenomen dat verzoeker erop mocht vertrouwen dat zijn vakantie was goedgekeurd. Het ontslag op staande voet was daarom niet rechtsgeldig. Verweerster werd veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, inclusief wettelijke rente, en in de proceskosten. De billijke vergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.