De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van het kind voor twaalf maanden en machtiging tot uithuisplaatsing bij de oma vaderszijde voor zes maanden. Het kind verblijft reeds bij oma vaderszijde vanwege een verstoorde relatie met de moeder en eerdere crisisopvang.
De moeder en oma vaderszijde hebben een langdurig conflict, waardoor het kind klem zit tussen beiden. De moeder is het niet eens met de plaatsing bij oma vaderszijde en wil het kind liever bij haarzelf, oma moederszijde of in een neutraal pleeggezin zien. De Raad en de gecertificeerde instelling achten de huidige plaatsing echter het beste, gezien het welzijn van het kind en de ongeschiktheid van alternatieven.
De kinderrechter concludeert dat het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd door de onstabiele opvoedsituatie en de verstoorde relaties. Hulpverlening binnen het vrijwillige kader heeft onvoldoende effect gehad. Daarom wordt ondertoezichtstelling voor twaalf maanden en machtiging tot uithuisplaatsing bij oma vaderszijde voor zes maanden verleend. De gecertificeerde instelling krijgt opdracht om alternatieve terugplaatsingsmogelijkheden te onderzoeken.
De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder af om de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot drie maanden om MST CAN in de thuissituatie in te zetten, omdat eerdere hulpverlening geen verbetering bracht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.