Eiseres diende bezwaar in tegen een aanslag lokale belastingen van €1728,20, opgelegd op 28 februari 2019. Het bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn van zes weken was ingediend. Eiseres stelde dat zij ten onrechte niet op haar bezwaarschrift was gehoord en dat de aanslag niet via aangetekende post was verzonden.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag op correcte wijze was bekendgemaakt door verzending naar het juiste adres en dat het ontvangstvermoeden niet was ontzenuwd. De wettelijke termijn voor het indienen van bezwaar was verstreken, aangezien het bezwaar pas op 20 augustus 2020 werd ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn op 11 april 2019. De rechtbank stelde vast dat verweerder conform de wet had gehandeld en dat er geen sprake was van schending van algemene rechtsbeginselen of het EVRM.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd niet inhoudelijk op het bezwaar ingegaan. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.