De rechtbank Rotterdam behandelde op 26, 27 en 29 september 2022 de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie tegen de veroordeelde. De vordering betrof het vaststellen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel voortkomend uit verduistering gepleegd door de verdachte als beheerder van een stichting.
De officier van justitie stelde het voordeel vast op €367.355,-, rekening houdend met 50% economisch eigenaarschap van de verdachte in A&P Holding B.V. De rechtbank volgde deze berekening grotendeels, met uitzondering van een bedrag van €18.000,- waarvan de verdachte was vrijgesproken. Uiteindelijk werd het voordeel vastgesteld op €369.449,-.
De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid aan en betwistte het genoten voordeel, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank oordeelde dat het voordeel weliswaar is verkregen, maar dat dit niet aan de verdachte als privépersoon is toegekomen omdat de bedragen binnen het concern zijn verplaatst of aan anderen zijn toegekomen.
Daarom werd de betalingsverplichting vastgesteld op nihil. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer voor strafzaken op 2 november 2022.