De zaak betreft een geschil tussen Stichting Waterweg Wonen en [persoon01] over huurachterstand en ontbinding van de huurovereenkomst voor een woning te Vlaardingen. [persoon01] was sinds 1998 huurder, maar sinds november 2012 was [persoon02] hoofdhuurder. Waterweg Wonen vorderde betaling van huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming.
[persoon01] maakte bezwaar tegen het verstekvonnis en stelde dat hij de huur tot december 2013 had voldaan en de huurovereenkomst had opgezegd. De rechtbank oordeelde dat [persoon01] niet had voldaan aan zijn bewijslast om dit te onderbouwen, ondanks gelegenheid daartoe.
De rechtbank stelde vast dat [persoon01] sinds november 2012 geen hoofdverblijf meer had in het gehuurde en ook geen medehuurder meer was. Daarom was hij vanaf die datum geen huur meer verschuldigd. De huurachterstand werd vastgesteld tot en met oktober 2012 op € 1.774,97, inclusief verrekening van betalingen door [persoon02].
De ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming werden bekrachtigd vanwege de langdurige huurachterstand. De buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente werden toegewezen, maar executiekosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het verstekvonnis werd daarom gedeeltelijk vernietigd en aangepast, waarbij [persoon01] veroordeeld werd tot betaling van € 2.161,20 aan huurachterstand, rente en kosten tot oktober 2012. Verder werd hij veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.