ECLI:NL:RBROT:2022:9518
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening tegen huisverbod op grond van Wet tijdelijk huisverbod
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening tegen het opleggen en verlengen van een huisverbod aan verzoeker door de burgemeester van Rotterdam op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth).
Verzoeker was niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door een gemachtigde. Het huisverbod werd opgelegd omdat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de minderjarige kinderen en andere bewoners. Dit gevaar werd onder meer onderbouwd door een incident met letsel en meldingen van geweld.
De rechtbank oordeelde dat het huisverbod en de verlenging daarvan terecht waren opgelegd. Er was sprake van een spoedeisend belang en het gevaar was nog niet verminderd omdat er nog geen veiligheids- en hulpverleningsafspraken waren gemaakt. De burgemeester had in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid.
De rechtbank verwierp de stellingen van verzoeker dat er geen gevaar was en dat het huisverbod onterecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het huisverbod en de verlenging daarvan wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.