ECLI:NL:RBROT:2022:9521
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en verzoek voorlopige voorziening tegen huisverbod op grond van Wet tijdelijk huisverbod
De burgemeester van Rotterdam legde op 13 augustus 2022 een huisverbod op aan verzoeker vanwege een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster, die met verzoeker in de woning woonde. Verzoeker stelde dat het huisverbod onterecht was omdat er geen mishandeling had plaatsgevonden, maar de rechtbank oordeelde dat er voldoende feiten en omstandigheden waren die het huisverbod rechtvaardigden, waaronder een incident waarbij achterblijfster letsel opliep en eerdere meldingen van geweld.
Verzoeker voerde aan dat het gevaar inmiddels was geweken omdat achterblijfster niet meer in de woning verbleef en de relatie was beëindigd. De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt van de Wet tijdelijk huisverbod is dat een afkoelingsperiode van tien dagen benut wordt om rust te creëren en maatregelen te nemen. Hoewel achterblijfster niet in de woning verblijft, is het belang van haar veilige terugkeer zwaarder dan het belang van verzoeker om in de woning te zijn.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het huisverbod terecht en proportioneel was opgelegd en dat het gevaar nog niet was verdwenen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het huisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.