ECLI:NL:RBROT:2022:9528

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 november 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
C/10/629516/ HA ZA 21-1022
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:159 BWArt. 3:94 BWArt. 3:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating bewijs afhaalbericht aangetekende brief in geschil over cessie

In deze civiele zaak tussen eiser en gedaagde staat centraal of een aangetekende brief van 20 maart 2014 correct aan eiser is aangeboden. Gedaagde heeft bewezen dat eiser op dat moment op het juiste adres stond ingeschreven, maar eiser betwist de ontvangst van de brief omdat hij niet thuis was en geen afhaalbericht heeft gezien.

De rechtbank oordeelt dat de afzender van een aangetekende brief moet bewijzen dat de brief naar het juiste adres is verzonden en aannemelijk maken dat deze op de voorgeschreven wijze is aangeboden, waaronder het achterlaten van een afhaalbericht indien de geadresseerde niet thuis is. Omdat eiser voldoende heeft gesteld dat hij geen afhaalbericht heeft ontvangen, moet gedaagde nu aannemelijk maken dat er wel een afhaalbericht is achtergelaten.

Als gedaagde daarin slaagt, wordt aangenomen dat de mededeling van cessie tijdig en rechtsgeldig is gedaan, waardoor gedaagde als erfgename in de rechten van de cedent treedt. Indien niet, blijft het mededelingsgebrek bestaan en is de cessie niet voltooid tijdens het leven van de cedent.

De rechtbank bepaalt dat gedaagde bewijs mag leveren, onder meer door getuigenverhoor, en stelt een termijn voor overlegging van stukken. Alle verdere beslissingen worden aangehouden tot nadere beoordeling.

Uitkomst: Rechtbank staat toe dat gedaagde aannemelijk maakt dat er een afhaalbericht is achtergelaten voor de aangetekende brief, verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/629516 / HA ZA 21-1022
Vonnis van 2 november 2022
in de zaak van
[eiser01],
wonende te [woonplaats01] ,
eiser,
advocaat: mr. H. Orduseven-Semerci te Rotterdam,
tegen
[gedaagde01],
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde,
advocaat: mr. A.F. Ammerlaan te Dordrecht (voorheen mr. M.B. Visser te Dordrecht).
Namen en termen die in het vonnis van 15 juni 2022 zijn gedefinieerd, worden in dit vonnis in dezelfde betekenis gebruikt.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis van 15 juni 2022 (hierna: het tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de akte van [gedaagde01] van 29 juni 2022, met producties;
  • de antwoordakte van [eiser01] van 27 juli 2022, met productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2..De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde01] opgedragen om te bewijzen dat [eiser01] op 20 maart 2014 op [adres01] [ [postcode01] ] of [adres02] [ [postcode02] ] te [plaats01] stond ingeschreven.
2.2.
Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft [gedaagde01] in het geding gebracht:
  • een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (hierna: BPR) van 20 april 2022;
  • een schermprint van de website van PostNL waarbij een postcode aan een adres wordt gekoppeld. Hierop is te zien dat de postcode [ [postcode01] ] behoort bij het adres [adres01] te [plaats01] ;
  • een brief van de gemeente Rotterdam van 20 april 2022 gericht aan de advocaat van [gedaagde01] betreffende toezending van voornoemd uittreksel uit het BPR;
  • de brief van de advocaat van [gedaagde01] van 12 april 2022 aan de gemeente waarmee voornoemd uittreksel uit het BPR is opgevraagd.
2.3.
Daartegen is door [eiser01] niets ingebracht. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank door [gedaagde01] het bewijs geleverd dat [eiser01] op 20 maart 2014 bij de BPR stond ingeschreven als wonende op de [adres01] [ [postcode01] ] te [plaats01] . De brief is dus naar het juiste adres verzonden.
2.4.
[eiser01] heeft bij antwoordakte echter bij wijze van aanvullend verweer aangevoerd dat hij de aangetekende brief van 20 maart 2014 niet heeft ontvangen omdat hij niet thuis was. Ook is de aangetekende brief niet correct aan hem aangeboden omdat hij geen afhaalbericht hiervan heeft gezien (waaruit blijkt op welk postkantoor hij de brief kon ophalen). En mocht er wel een afhaalbericht zijn afgegeven dan heeft hij de brief niet opgehaald, mogelijk omdat hij veel in het buitenland verbleef in die periode.
2.5.
Met betrekking tot aangetekende brieven geldt dat de afzender daarvan, wanneer de geadresseerde stelt dat de brief hem niet (tijdig) heeft bereikt, dient te bewijzen dat hij de brief aangetekend en naar het juiste adres heeft verzonden, en bovendien aannemelijk dient te maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven (ECLI:HR:1998:ZC2742).
Dit laatste houdt in dat als de postbode niemand aantreft om de aangetekende brief in ontvangst te nemen, hij een afhaalbericht achter dient te laten. Indien de ontvanger van de brief betwist dat de brief op voornoemde wijze aan hem is aangeboden, ligt de bewijslast daarvan bij de afzender.
2.6.
In rechtsoverweging 5.5.1. van het tussenvonnis is overwogen dat de aangetekende verzending als zodanig vast staat en dat, als [gedaagde01] slaagt in het bewijs dat [eiser01] daar toen woonde, zodat deze naar het juiste adres ie verzonden, het ervoor gehouden moet worden dat de vereiste mededeling is gedaan. Daarbij heeft de rechtbank dus miskend dat [eiser01] niet alleen moest bewijzen dat de brief naar het juiste adres is gezonden, maar ook aannemelijk moest maken dat deze op juiste wijze is aangeboden. In zoverre moet de rechtbank dus terugkomen op de bindende eindbeslissing in rechtsoverweging 5.5.1.
2.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is door [eiser01] weliswaar laat, maar voldoende gedetailleerd en onderbouwd gesteld dat de brief niet correct aan hem is aangeboden omdat hij geen afhaalbericht hiervan heeft ontvangen.
2.8.
Gelet op het voorgaande zal [gedaagde01] dus aannemelijk moeten maken dat er op 20 maart 2014 een afhaalbericht op voornoemd adres voor die brief is afgegeven. De rechtbank zal [gedaagde01] daartoe toelaten. Ter voorkoming van misverstand wordt opgemerkt dat bewijs in strikte zin niet noodzakelijk is.
Verder geldt, dat als voldoende aannemelijk wordt dat een afhaalbericht is achtergelaten, niet ter zake doet dat [eiser01] de brief niet heeft afgehaald. Als hij de keuze gemaakt heeft om de brief niet af te halen komt dat voor zijn risico. Ook als de oorzaak gelegen is in verblijf in het buitenland komt het voor zijn risico dat hij kennelijk geen voorziening heeft getroffen voor zijn post.
2.9.
Indien [gedaagde01] slaagt in dit aannemelijk maken staat vast dat door SFI tijdig mededeling van cessie is gedaan aan [eiser01] , waardoor de vordering van [naam01] op [eiser01] rechtsgeldig is overgedragen aan [naam02] . Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde01] ̶ als erfgename ̶ in de rechten van [naam02] is getreden voor wat betreft de vorderingsgerechtigheid van de aan hem gecedeerde ‘ [naam01] vordering’.
2.10.
Indien [gedaagde01] niet slaagt staat niet vast dat er mededeling van cessie is gedaan aan [eiser01] bij brief van 20 maart 2014. In dat geval heeft [gedaagde01] niet de mogelijkheid om als erfgename van [naam02] dit mededelingsgebrek te zuiveren. Immers, door [gedaagde01] is niet gesteld dat door [naam02] , in de periode tussen 20 maart 2014 en zijn overlijden op 7 februari 2016, nog een tweede poging is gedaan om de cessie te melden aan [eiser01] . Dat betekent dat de cessie dan niet bij zijn leven is voltooid.
2.11.
Met betrekking tot hetgeen [eiser01] bij antwoordakte aanvoert betreffende de beslagleggingen (en de daaraan ten grondslag liggende volmachtsverlening) is de rechtbank van oordeel dat dit geen nieuw licht op de zaak werpt, in die zin dat dit geen feiten of omstandigheden betreffen die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De rechtbank blijft dan ook bij hetgeen zij reeds in rechtsoverweging 5.6 van het tussenvonnis (eerste alinea) heeft overwogen. Hieruit blijkt dat de kantonrechter zich bij vonnis van 23 april 2021 reeds over deze kwestie heeft uitgesproken en dat er tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld. Dat inmiddels arrest is gewezen is gesteld noch gebleken. Mocht dat inmiddels wel het geval zijn dan staat het de meest gerede partij vrij om dat arrest bij de te nemen akte over te leggen.
2.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3..De beslissing

De rechtbank
3.1.
laat [gedaagde01] toe aannemelijk te maken dat er op of omstreeks 20 maart 2014 een afhaalbericht voor de aangetekende brief is afgegeven of achtergelaten op de [adres01] [ [postcode01] ] te [plaats01] ,
3.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 16 november 2022voor overlegging van schriftelijke stukken ter voldoening aan de opdracht in 3.1,
3.3.
bepaalt dat, als [gedaagde01] (ook)
getuigenwil laten horen, zij die getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
december 2022tot en met
februari 2023bij de onder 3.2 bedoelde akte moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
3.4.
bepaald dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125,
3.5.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerst getuigenverhoor a
lle beschikbare bewijsstukken aande rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2022.
[3271/106/801]