AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ondertoezichtstelling van ongeboren kind wegens ernstige zorgen over ontwikkeling en opvoedomgeving
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een ongeboren kind, vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling en opvoedomgeving. De moeder kampt met persoonlijke en traumaproblematiek, vertoont blowgedrag en is somber en depressief, wat risico's oplevert voor de hechting met het kind. De moeder verblijft binnen een ouder-kindproject van ASVZ waar zij intensieve begeleiding ontvangt.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de moeder, vader, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West gehoord. De moeder stemde in met het verzoek en waardeert de hulpverlening van ASVZ. De gecertificeerde instelling onderschreef het belang van zicht op het kind en de hechting.
De kinderrechter oordeelde dat het ongeboren kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk is. Gezien de omstandigheden is voldaan aan het wettelijke criterium van artikel 1:255 BWPro. Daarom werd het kind onder toezicht gesteld voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 21 oktober 2022. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.
Uitkomst: Het ongeboren kind wordt onder toezicht gesteld voor twaalf maanden wegens ernstige zorgen over de ontwikkeling en opvoedomgeving.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/646040 / JE RK 22-2367
datum uitspraak: 21 oktober 2022
beschikking ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende
het nog ongeboren kind [naam kind01] , hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam01] ,
hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats01] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam02] ,
hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats02] .
Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 13 oktober 2022, ingekomen bij de griffie op 13 oktober 2022.
Op 21 oktober 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder,
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam03],
- twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West (hierna: de GI), [naam04] en [naam05].
De feiten
Het ouderlijk gezag over het ongeboren kind zal na de geboorte van rechtswege worden uitgeoefend door de moeder.
Het verzoek
De Raad heeft de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind verzocht voor de duur van twaalf maanden.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van het ongeboren kind. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek en traumaproblematiek. Daarnaast vertoont zij blowgedrag en heeft zij intensieve begeleiding nodig bij de praktische zaken en bij de verzorging van de broer van het ongeboren kind. De moeder is vaak somber en depressief, waardoor er zorgen zijn of zij voldoende kan aansluiten bij de baby in emotionele zin, zodat de hechting goed verloopt en zij kan bieden wat hij nodig heeft. De moeder verblijft bij ASVZ en gezien wordt dat zij de hulp buiten de deur houdt wanneer het minder goed met haar gaat. Het is de bedoeling dat de moeder met haar kinderen bij ASVZ blijft, zodat er zicht blijft op de baby en de moeder hulp blijft accepteren.
Het standpunt van de GI
De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. De GI wil zicht houden op het ongeboren kind en op de broer. De moeder heeft veel bereikt in de afgelopen jaren. Het is belangrijk dat de moeder met de kinderen bij ASVZ blijft wonen. De Raad heeft een NIKA-traject aangeraden, maar hier geldt een wachtlijst van zes maanden. De GI vindt het wel belangrijk dat de moeder leert aan te sluiten bij het kind en dat er zicht komt op de hechting. Ook vanuit ASVZ zal hier aandacht voor zijn.
Het standpunt van de belanghebbende
Desgevraagd heeft de moeder ter zitting te kennen gegeven het eens te zijn met het verzoek. De moeder vindt het fijn dat de GI hulpverlening kan inzetten voor haar kinderen. De moeder heeft wel aangegeven dat het de afgelopen jaren beter met haar gaat dan voorheen. Zij is ook blij met de hulpverlening vanuit ASVZ en heeft een goede relatie met de organisatie.
De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat het ongeboren kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen zijn gelegen in de opvoedomgeving. Bij de moeder is al langere tijd sprake van persoonlijke problematiek. Daarnaast blowt zij veel en vertoont zij somber en depressief gedrag, waardoor zij mogelijk onvoorspelbaar en onvoldoende emotioneel beschikbaar zal zijn voor het ongeboren kind. Dit vormt een risico met betrekking tot de hechting tussen de baby en de moeder. De moeder verblijft met haar tienjarige zoon [naam06] binnen een ouder-kindproject van ASVZ. Hier wordt gezien dat de moeder geregeld aansturing nodig heeft in de verzorging en opvoeding van haar zoon. Ook is zij wisselend in de samenwerking met ASVZ. De kinderrechter acht de betrokkenheid van een jeugdbeschermer door middel van een ondertoezichtstelling noodzakelijk in het belang van het ongeboren kind.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom het ongeboren kind onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.
De beslissingDe kinderrechter:
stelt het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, gevestigd te Dordrecht, met ingang van 21 oktober 2022 tot 21 oktober 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2022.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 november 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Den Haag.