Op 23 april 2022 werd verdachte gefouilleerd bij de hoofdingang van een uitgaansgelegenheid in Rotterdam, waarbij een vrouwelijke beveiliger een vuurwapen bij hem voelde. Verdachte liep vervolgens naar de parkeergarage, waar hij gebukt ging bij het achterwiel van een auto. Kort daarna werd op die plek een vuurwapen met munitie aangetroffen.
De verdediging stelde dat verdachte een vlindermes droeg en dat het vuurwapen mogelijk door iemand anders was neergelegd, maar deze scenario's werden door de rechtbank verworpen op basis van camerabeelden en verklaringen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden had.
De feiten zijn strafbaar volgens de Wet wapens en munitie en er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden. Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en persoonlijke situatie van verdachte, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden op, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank benadrukte het gevaar en de onaanvaardbare risico's van het voorhanden hebben van een vuurwapen in een uitgaansgelegenheid en het belang van streng optreden tegen ongecontroleerd wapenbezit in de openbare ruimte.