ECLI:NL:RBROT:2022:9732

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 oktober 2022
Publicatiedatum
14 november 2022
Zaaknummer
9902659 CV EXPL 22-2160
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst wegens niet-uitvoering werkzaamheden en terugbetaling

Eiser stelde dat hij met gedaagde een mondelinge aannemingsovereenkomst had gesloten voor het moderniseren van zijn woning tegen een vaste prijs van € 14.955,60 inclusief btw. Gedaagde zou onder meer elektra, bedrading en sanitair aanpassen. Eiser betaalde in twee termijnen € 15.000,-, maar gedaagde verrichtte geen werkzaamheden. Eiser stelde gedaagde in gebreke en ontbond de overeenkomst buitengerechtelijk.

Gedaagde betwistte de overeenkomst en stelde dat de overeenkomst met een ander bedrijf was gesloten en dat hij het geld niet had ontvangen. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende bewijs had geleverd, onder meer door een verklaring van buren die het gesprek en de afspraken bevestigden. Gedaagde heeft zijn betwisting onvoldoende onderbouwd en is niet verschenen bij de mondelinge behandeling.

De rechtbank verklaarde de overeenkomst ontbonden per 23 maart 2021 en veroordeelde gedaagde tot terugbetaling van het betaalde bedrag van € 15.000,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf die datum. Tevens werden buitengerechtelijke incassokosten van € 924,56 en proceskosten van € 1.568,74 toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De overeenkomst is ontbonden en gedaagde moet het betaalde bedrag met rente en incassokosten terugbetalen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 9902659 CV EXPL 22-2160
datum uitspraak: 20 oktober 2022
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. E. Pimentel,
tegen
[gedaagde01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 mei 2022, met bijlagen;
  • het herstelexploot van 19 mei 2022, met bijlagen;
  • de aantekeningen mondeling verweer van 2 juni 2022.
1.2.
Op 22 september 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. [eiser01] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. E. Pimentel en vergezeld van zijn moeder. [gedaagde01] is niet verschenen.

2.Het geschil

2.1.
[eiser01] stelt dat hij met [gedaagde01] een overeenkomst tot aanneming van werk is aangegaan. Deze overeenkomst hield volgens hem in dat [gedaagde01] de woning van [eiser01] gelegen aan de [adres01] te Dordrecht zou moderniseren tegen een vaste prijs van € 14.955,60 inclusief btw. Volgens [eiser01] zou [gedaagde01] onder andere de elektra, de bedradingen en de groepenkast vervangen, het leidingwerk aanleggen en de boiler verplaatsen, de kozijnen en deurposten herstellen en schilderen, de muren herstellen en stuken en de toilet- en doucheruimte opknappen.
[eiser01] heeft voor deze werkzaamheden een factuur van [gedaagde01] ontvangen met als datum 17 augustus 2020. Volgens [eiser01] heeft hij deze factuur in twee deelbetalingen van € 12.000,- en € 3.000,- voldaan op 18 augustus 2020.
[eiser01] stelt dat [gedaagde01] geen werkzaamheden heeft verricht in zijn woning. [eiser01] heeft [gedaagde01] daarom bij brief van 8 maart 2021 in gebreke gesteld en hem een termijn van twee weken gegeven om de werkzaamheden alsnog te verrichten, bij gebreke waarvan hij de overeenkomst als ontbonden beschouwt.
2.2.
Tegen deze achtergrond vordert [eiser01] , samengevat, dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst van opdracht tussen [gedaagde01] en [eiser01] op 23 maart 2020 is ontbonden en voor zover deze niet nog is ontbonden: dat deze overeenkomst alsnog wordt ontbonden. Tevens vordert [eiser01] om [gedaagde01] te veroordelen uit hoofde van een ongedaanmakingsverbintenis een bedrag van € 15.000,- aan hem te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2021 tot aan de dag van algehele voldoening. [eiser01] vordert daarnaast om [gedaagde01] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 924,56 en van de proceskosten.
2.3.
[gedaagde01] stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen. Hij legt daaraan het volgende ten grondslag. [eiser01] heeft geen overeenkomst gesloten met [gedaagde01] , maar met [bedrijf01] . [gedaagde01] heeft weer een contract met [bedrijf01] . [gedaagde01] heeft geen overeenkomst gesloten met [eiser01] . [gedaagde01] heeft het geld van [eiser01] niet ontvangen. Het is [gedaagde01] bekend dat [eiser01] zijn geld heeft overgemaakt naar de rekening van [bedrijf01] .

3.De beoordeling

3.1.
[eiser01] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij op 17 augustus 2020 mondeling een overeenkomst van aanneming van werk met [gedaagde01] heeft gesloten een schriftelijke verklaring overgelegd van zijn buren, waarin zij verklaren dat zij op 17 augustus 2020 bij het gesprek tussen [gedaagde01] en [eiser01] aanwezig waren en hieraan deelnamen. Volgens de buren vond dit gesprek plaats in hun woning, omdat [eiser01] nog geen meubels had. De buren hebben daarnaast verklaard dat zij [gedaagde01] al kenden omdat hij werkzaamheden had verricht voor de vereniging van eigenaren en dat zij aan [gedaagde01] de woning van [eiser01] al voor 17 augustus 2020 hebben laten zien. Volgens de buren bestonden de werkzaamheden die [gedaagde01] in een hoog tempo zou uitvoeren uit het egaliseren van de vloeren op de gehele benedenverdieping, het maken van extra groepen in de meterkast, het aanleggen van stroompunten ten behoeve van de keuken, het omleggen van foutief aangelegd leidingwerk, het verplaatsen van de boiler, verfwerk en waar nodig stucwerk, het volledig vernieuwen van de toiletruimte en het aanpassen van de badkamer. De buren hebben daarnaast verklaard dat [gedaagde01] en [eiser01] een bedrag van € 15.000,- zijn overeengekomen, wat [eiser01] direct moest voldoen. [eiser01] heeft dit bedrag de dag daarna bij de buren thuis overgemaakt, aldus de buren.
[eiser01] heeft betwist dat hij een overeenkomst heeft gesloten met [bedrijf01] . Volgens [eiser01] blijkt uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel dat [naam01] , handelend onder de naam [bedrijf01] , op 26 november 2018 is uitgeschreven uit het Handelsregister. Ook staan volgens [eiser01] op de factuur die hij van [gedaagde01] heeft ontvangen een niet bestaand KvK-nummer (wat op één cijfer na identiek is aan het KvK-nummer van [bedrijf01] ) en een niet bestaand btw-nummer vermeld.
3.2.
[gedaagde01] heeft zijn betwisting dat de overeenkomst niet met hem maar met [bedrijf01] of een ander bedrijf is gesloten onvoldoende onderbouwd. Gelet op wat [eiser01] onderbouwd heeft gesteld, heeft [gedaagde01] niet mogen volstaan met het enkele betwisten van de overeenkomst. [gedaagde01] is niet ingegaan op de verklaring van de buren en evenmin op de stelling van [eiser01] dat het bedrijf [bedrijf01] niet meer bestaat en dat op de factuur die hij van [gedaagde01] heeft ontvangen niet bestaande KvK- en btw-nummers staan vermeld. [gedaagde01] had de mogelijkheid om tijdens de mondelinge behandeling zijn betwisting nader te onderbouwen, maar hij is niet verschenen. De gevolgen hiervan komen voor zijn rekening en risico. Dit betekent dat als vaststaand wordt aangenomen dat [eiser01] met [gedaagde01] een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten.
3.3.
[eiser01] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden op de grond dat [gedaagde01] geen werkzaamheden heeft uitgevoerd. [gedaagde01] heeft niet betwist dat hij geen werkzaamheden heeft uitgevoerd, zodat dit vaststaat en er sprake is van een tekortkoming. [eiser01] mocht op grond daarvan de overeenkomst ontbinden. [eiser01] heeft in het petitum van de dagvaarding gevorderd om voor recht te verklaren dat de overeenkomst van opdracht op 23 maart 2020 is ontbonden, maar de kantonrechter begrijpt uit de dagvaarding en de toelichting ter zitting dat hier sprake is van verschrijvingen en dat bedoeld is: een verklaring voor recht dat de overeenkomst van aanneming van werk op 23 maart 2021 is ontbonden. Voor recht zal daarom worden verklaard dat de overeenkomst van aanneming van werk tussen [gedaagde01] en [eiser01] op 23 maart 2021 is ontbonden.
3.4.
De ontbinding van de overeenkomst tussen [eiser01] en [gedaagde01] brengt ongedaanmakingsverbintenissen met zich. Vaststaat dat [gedaagde01] geen werkzaamheden heeft verricht. Nu tevens uit de gedingstukken volgt dat [eiser01] overeenkomstig de door of namens [gedaagde01] verzonden factuur heeft betaald, dient [gedaagde01] het door [eiser01] betaalde bedrag van € 15.000,- aan [eiser01] terug te betalen. De op zichzelf niet weersproken en op de wet gebaseerde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar.
3.5.
De buitengerechtelijke incassokosten van € 924,56 zullen worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen.
3.6.
[gedaagde01] heeft ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser01] tot vandaag vast op € 129,74 aan dagvaardingskosten, € 693,- aan griffierecht en € 746,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 373,- tarief). Dit is totaal € 1.568,74.
3.7.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst van aanneming van werk tussen [gedaagde01] en [eiser01] op 23 maart 2021 is ontbonden;
4.2.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiser01] te betalen € 15.924,56, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 15.000,- vanaf 23 maart 2021 tot de dag van volledige betaling;
4.3.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de kant van [eiser01] tot vandaag vastgesteld op € 1.568,74;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken.
31688