AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarig kind, geboren in 2011, vanwege ernstige zorgen over haar ontwikkeling en opvoedsituatie. Het kind verblijft momenteel in een pleeggezin na eerdere plaatsingen bij de stiefmoeder en crisisopvang, waarbij de hechtingsproblemen en instabiliteit duidelijk zijn geworden.
De ouders zijn onvoldoende in staat om het kind een stabiele en veilige opvoedomgeving te bieden. De vader is sinds juli 2022 gedetineerd en de moeder woont op Curaçao en kan door werk niet adequaat voor het kind zorgen. Het kind heeft veel wisselingen van opvoeders en woonplek meegemaakt, wat haar ontwikkeling bedreigt. De ouders wensen verschillende perspectieven voor het kind, waarbij de vader wil dat zij in Nederland blijft en de moeder dat zij naar Curaçao terugkeert.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat aan het wettelijke criterium van artikel 1:255 BWPro is voldaan en dat uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van verzorging en opvoeding, conform artikel 1:265b BW. Daarom wordt het kind onder toezicht gesteld voor de duur van twaalf maanden en wordt een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening verleend voor zes maanden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2022.
Uitkomst: Het kind wordt onder toezicht gesteld en krijgt een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor de duur van twaalf respectievelijk zes maanden.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaakgegevens: C/10/645831 / JE RK 22-2340
datum uitspraak: 4 november 2022
beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende
[naam kind01] ,
geboren op [geboortedatum01] 2011 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen [naam kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam01] , hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats01],
[naam02] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats02] ,
momenteel gedetineerd te [detentieadres01] .
Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoek met bijlagen van de Raad van 7 oktober 2022, ingekomen bij de griffie op 7 oktober 2022;
- het gewijzigde verzoek met bijlagen van de Raad van 31 oktober 2022, ingekomen bij de griffie op 31 oktober 2022.
Op 4 november 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de moeder (telefonisch),
- de vader, bijgestaan door mr. L.A. Middelkoop, - een vertegenwoordigster van de Raad, te weten mw. [naam03] ,
- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna de GI, te weten mw. [naam04] .
Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Papiaments, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam05] , tolk in de taal Papiaments.
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de stiefmoeder.
De feitenHet ouderlijk gezag over [naam kind01] wordt uitgeoefend door de moeder.
[naam kind01] verblijft in een pleeggezin.
Bij beschikking van 8 augustus 2022 is [naam kind01] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 8 augustus 2022 tot 8 november 2022 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in het netwerk, te weten bij de stiefmoeder mw. [naam06] , verleend met ingang van 8 augustus 2022 voor de duur van vier weken en is de beslissing voor het overige aangehouden.
Bij beschikking van 23 augustus 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 8 november 2022.
Het verzoek
Op 7 oktober 2022 heeft de Raad een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van twaalf maanden.
Op 31 oktober 2022 heeft de Raad het verzoek ten aanzien van een machtiging uithuisplaatsing gewijzigd in die zin dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg wordt verzocht voor de duur van zes maanden.
De standpunten
De Raad heeft ter zitting het (gewijzigde) verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
[naam kind01] heeft veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Zij heeft afscheid moeten nemen van verschillende opvoeders, verzorgers en woonomgevingen. Op het moment dat de vader in detentie terecht is gekomen, is in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling een machtiging uithuisplaatsing voor verblijf bij de stiefmoeder verzocht en verleend. Deze plaatsing is echter niet positief verlopen. Daarom is [naam kind01] in het huidige pleeggezin geplaatst, waar zij niet al te lang meer kan blijven. Er is inmiddels kennis gemaakt met een nieuw perspectief-biedend pleeggezin. In het huidige pleeggezin wordt gezien dat [naam kind01] forse hechtingsproblemen heeft.
De ouders staan niet op een lijn over het perspectief van [naam kind01] . De vader wil dat [naam kind01] in Nederland blijft wonen en de moeder wil dat zij naar Curaçao komt. De ouders hebben ooms en tantes aangedragen die voor [naam kind01] kunnen zorgen. Er is echter nog geen concreet voorstel gedaan en in het netwerk is niemand structureel bereid om voor [naam kind01] te zorgen. Ook krijgt de Raad moeizaam contact met de Voogdijraad te Curaçao en familieleden van de ouders.
De GI heeft ter zitting het (gewijzigde) verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld.
Afgesproken is dat de moeder met [naam kind01] een keer per week een videobelmoment heeft. Er zijn echter belastende zaken met [naam kind01] gedeeld. Daarom heeft de moeder momenteel om de vier weken een begeleid videobelmoment met [naam kind01] .
Op 2 november 2022 heeft een oom tijdens het videogesprek belastende uitspraken gedaan dat hij [naam kind01] naar huis wilde halen. Deze oom, die volgens de moeder bereid is om voor [naam kind01] te zorgen, heeft aangegeven dat hij er nog niet voor open staat om zich te laten screenen. Ook is onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van een plaatsing in een Antilliaans gezinshuis in het noorden van Nederland. Er is echter geen plek.
De overstap van [naam kind01] naar het perspectief-biedend pleeggezin verloopt stap voor stap. Aankomend weekend is ter kennismaking een logeerweekend bij dit pleeggezin geregeld. Ook zal [naam kind01] wekelijks een videobelmoment met de vader krijgen.
De moeder heeft zich ter zitting niet verzet tegen het verzoek van de Raad. Wel heeft zij aangegeven dat een oom bereid is om voor [naam kind01] te zorgen. Het bevreemdt haar dan ook dat deze oom zich volgens de GI niet wil laten screenen. De moeder betreurt het dat [naam kind01] voor de derde keer wordt overgeplaatst, terwijl familieleden haar willen opvangen.
Namens de vader heeft zijn advocaat ter zitting het volgende meegedeeld.
De vader ondersteunt het verzoek van de Raad, omdat hij vanwege zijn detentie momenteel niet in staat is om voor [naam kind01] te zorgen. Het is onbekend hoe lang de detentie zal duren. Als de situatie van de moeder op Curaçao niet is gewijzigd, is dat geen goede opvoedsituatie voor [naam kind01] . Een pleeggezin is daarom de beste optie momenteel. Het is wel de wens van de vader dat [naam kind01] bij familie wordt geplaatst. Ook is aandacht gevraagd voor bezoekmomenten van [naam kind01] aan de vader. De vader heeft te kennen gegeven dat hij de afgelopen periode geen contact met [naam kind01] heeft gehad en dat betreurt hij.
De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind01] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [naam kind01] heeft met haar ouders op Curaçao gewoond. In december 2021 of januari 2022 is [naam kind01] met de vader en de stiefmoeder naar Nederland gekomen. De moeder woont nog steeds op Curaçao en heeft aangegeven dat zij vanwege haar werk niet goed voor [naam kind01] kan zorgen.
Er zijn zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader en de opvoedsituatie bij hem. Zo heeft [naam kind01] aangegeven dat de vader haar hele dagen tot ’s avonds laat alleen heeft gelaten. Vanwege de detentie van de vader sinds 9 juli 2022 is [naam kind01] bij de stiefmoeder gebleven. Als gevolg van de zorgen over de opvoedsituatie bij de stiefmoeder en omdat de stiefmoeder heeft aangegeven niet meer voor haar te kunnen zorgen, is [naam kind01] op 19 augustus 2022 in het kader van een voorlopige ondertoezichtstelling met een machtiging in een pleeggezin geplaatst. Door een incident in dit pleeggezin is [naam kind01] na een kort verblijf in een crisisopvang geplaatst in het huidige pleeggezin. Als gevolg hiervan heeft [naam kind01] in een korte periode veel gewisseld van opvoeders en woonplek. Dit alles heeft veel indruk op [naam kind01] gemaakt. De ouders zijn erg belangrijk voor [naam kind01] . Zij zijn echter onvoldoende beschikbaar voor haar. De stiefmoeder is voor [naam kind01] een onvoldoende betrouwbare opvoeder geweest.
Vanwege de complexe situatie en problematiek zijn de ouders nog niet zelfstandig in staat zijn de bedreigde ontwikkeling van [naam kind01] af te wenden. Daarom is thans hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk. Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom zal de kinderrechter [naam kind01] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [naam kind01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW.
Gelet op al het voorgaande zijn de ouders om verschillende redenen niet in staat om [naam kind01] een voldoende stabiele en veilige opvoedomgeving te bieden. Daarom is het van belang om de huidige plaatsing van [naam kind01] in het pleeggezin voort te zetten totdat zij een overstap naar het perspectief-biedende pleeggezin kan maken, dat voor haar is gevonden. Het is in het belang van [naam kind01] dat de komende periode haar perspectief duidelijk zal worden. De moeder heeft aangegeven dat zij [naam kind01] terug wil laten keren naar Curaçao. Zij heeft hierin echter geen concrete stappen ondernomen. De Voogdijraad Curaçao is verzocht onderzoek te doen. Tot op heden is hierover echter geen duidelijkheid ontstaan. De ouders hebben aangegeven dat zij de voorkeur hebben dat [naam kind01] in het netwerk wordt geplaatst. Als de ouders een familielid hebben, die bereid en in staat is om voor [naam kind01] te zorgen dan is het van belang om zo spoedig mogelijk de gegevens van dat familielid aan de GI door te geven. Het familielid moet ook bereid zijn om zich te laten screenen en samen te werken met de GI.
De beslissing
De kinderrechter:
stelt [naam kind01] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 4 november 2022 tot
4 november 2023;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind01] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 november 2022 tot 4 mei 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2022 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier.
De griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 15 november 2022.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Den Haag.