De werknemer was werkzaam als webshopmedewerkster en verkoopster bij de werkgever in de damesmodebranche en had een concurrentiebeding voor twee jaar na beëindiging van het dienstverband, met een territoriale reikwijdte van 25 kilometer rond Rotterdam en andere plaatsen. Na beëindiging van haar arbeidsovereenkomst trad de werknemer in dienst bij een concurrent binnen die straal, wat de werkgever aanvoerde als overtreding van het concurrentiebeding.
De werkgever vorderde nakoming van het beding, betaling van boetes en het staken van werkzaamheden bij de concurrent. De werknemer betwistte de overtreding en voerde aan dat het beding onredelijk en te ruim was, en dat de werkgever onvoldoende belangen had bij handhaving.
De kantonrechter oordeelde dat het belang van de werknemer bij vrije arbeidskeuze zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij handhaving van het beding. De werkgever had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrijfsdebiet wezenlijk werd geschaad door de indiensttreding van de werknemer bij de concurrent. Ook was de duur van twee jaar niet gemotiveerd. De vorderingen van de werkgever werden afgewezen en het concurrentiebeding geschorst voor zover het betrekking had op de indiensttreding bij de concurrent.