De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over de hoofdverblijfplaats van twee minderjarigen en de machtiging tot uithuisplaatsing. De ouders oefenden gezamenlijk het gezag uit, waarbij de kinderen deels bij de moeder, deels bij de vader en deels in een pleeggezin verbleven. Sinds februari 2022 was er een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing.
De moeder verzocht om de hoofdverblijfplaats met terugwerkende kracht per 8 augustus 2022 bij haar te bepalen en de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen. De vader stemde in met de hoofdverblijfplaats bij de moeder en trok zijn subsidiaire verzoek in. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming onderschreven het belang van duidelijkheid, maar benadrukten dat een zorgregeling niet vastgelegd moest worden vanwege de nog niet definitieve draagkracht van de ouders en de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter concludeerde dat de moeder inmiddels meer dan de helft van de week voor de kinderen zorgt en dat er geen aanwijzingen zijn dat dit op korte termijn zal veranderen. Daarom werd de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld met terugwerkende kracht per 8 augustus 2022 en de machtiging tot uithuisplaatsing vervallen verklaard per die datum. Het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling werd afgewezen om verdere juridisering en conflicten te voorkomen, waarbij de GI de regie behoudt over omgangsafspraken.
De beschikking werd op 7 november 2022 mondeling gegeven en op 9 november schriftelijk vastgesteld. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door verzoekers of belanghebbenden.